Nieuws
3 min read

Update: Implementatiewet kapitaalvereisten 2026: verduidelijking derde landen regime

26 mei 2026

In ons eerdere artikel van 27 maart 2026 berichtten wij over de indiening van het wetsvoorstel Implementatiewet kapitaalvereisten 2026 en in het bijzonder het nieuwe EU-geharmoniseerde regime voor ondernemingen uit derde landen die grensoverschrijdend bepaalde bancaire (kern)diensten aanbieden in Nederland, zoals het aantrekken van deposito’s en andere opvorderbare gelden, verstrekken van leningen (tevens consumentenkrediet) en het verlenen van garanties en stellen van borgtochten.

Op 7 mei 2026 heeft de Tweede Kamer een Nota van Wijziging ontvangen (“Nota”), een relevante wijziging met betrekking tot het derde landen regime die volgt uit de Nota betreft artikel 3:5 Wft.

Geen uitbreiding reikwijdte artikel 3:5 Wft

Het oorspronkelijke wetsvoorstel voorzag in een uitbreiding van artikel 3:5 eerste lid Wft. Daarmee zou expliciet worden verduidelijkt dat ondernemingen uit derde landen niet alleen geen opvorderbare gelden van het publiek mogen aantrekken, maar evenmin van een ander dan het publiek. Die voorgestelde wijziging is in de Nota geschrapt. Volgens de toelichting is die toevoeging niet nodig, omdat artikel 2:20 Wft reeds bepaalt dat ondernemingen uit derde landen bancaire diensten als bedoeld in bijlage I CRD niet in Nederland mogen verrichten zonder een Nederlands bijkantoor met vergunning.

Belang voor internationale lening structuren

De verduidelijking is met name relevant voor internationale leningen. Zonder deze wijziging had kunnen worden betoogd dat een onderneming uit een derde land die financiering ontvangt van een Nederlandse (professionele) partij, daarmee “opvorderbare gelden aantrekt” in de zin van artikel 3:5 Wft. Dat had mogelijk gevolgen kunnen hebben voor grensoverschrijdende lening structuren. Uit de toelichting volgt nu expliciet dat uitgaande kredietverlening door Nederlandse ondernemingen aan derde landen partijen mogelijk blijft, mits sprake is van een daadwerkelijke lening en niet van een verkapt deposito. Daarnaast wordt hiermee voorkomen dat artikel 3:5 Wft toepassing zou kunnen vinden op incidentele aankopen van leningen.

Derde landen regime blijft in stand

De Nota wijzigt overigens de kern van het eerder besproken derde landen regime niet. Ondernemingen uit derde landen die grensoverschrijdende bancaire kerndiensten aanbieden, zullen in beginsel over een Nederlands bijkantoor met DNB-vergunning moeten beschikken.

Het nieuwe regime zal, indien het wetsvoorstel wordt aangenomen, per 11 januari 2027 in werking treden. Het wetsvoorstel introduceert daarnaast een onderscheid tussen klasse 1- en klasse 2-bijkantoren, met verschillende prudentiële vereisten en toezichtintensiteit, alsmede nieuwe rapportageverplichtingen voor derde-landenbijkantoren (vanaf 11 juli 2026).

Impact voor de praktijk

Voor marktpartijen actief in internationale lening markten biedt de toelichting bij het vervallen van de wijziging van artikel 3:5 Wft welkome verduidelijking: uitgaande lening verstrekking door Nederlandse ondernemingen aan derde-landenpartijen valt niet zonder meer onder het verbod van artikel 3:5 Wft, mits de lening ook daadwerkelijk als lening fungeert en niet als verkapt deposito.

Vervolg

Het wetsvoorstel bevindt zich in de fase van parlementaire behandeling bij de Tweede Kamer en is nog niet definitief vastgesteld. Na aanvaarding door de Tweede Kamer dient het wetsvoorstel tevens te worden behandeld door de Eerste Kamer alvorens het als wet in werking kan treden.

Wij houden de verdere parlementaire behandeling en inwerkingtreding van deze implementatiewet nauwlettend in de gaten. Houd onze website in de gaten voor relevante updates.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Ruben Verschuren & Lisanne Poyé.

Terug
Update: Implementatiewet kapitaalvereisten 2026: verduidelijking derde landen regime