Bestuurders en toezichthouders zorgaanbieder persoonlijke aansprakelijkheid voor bijna EUR 3 miljoen
De Rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2026:5069) heeft recent zowel de bestuurders als toezichthouders (in dit geval ging het om commissarissen) van een zorgaanbieder persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk gehouden voor een bedrag van bijna EUR 3 miljoen. De lat voor persoonlijke aansprakelijkheid voor bestuurders en toezichthouders ligt in zijn algemeenheid hoog, maar wordt in deze zaak volgens de rechtbank in beide gevallen gehaald. Daarbij speelt een rol dat het hier gaat om een zorgorganisatie, gefinancierd met publieke middelen. De maatschappelijke rol vergt volgens de rechter een hoge mate van professionaliteit van zowel de bestuurders als de toezichthouders.
Wat speelde er?
De wijkzorgaanbieder waar het in deze zaak om ging, had opvallend veel zorg gedeclareerd: bijna drie en half keer het landelijk gemiddelde. Toen de betrokken zorgverzekeraars naar aanleiding daarvan een onderzoek instelden naar de vraag of de gedeclareerde zorg feitelijk was geleverd en of aanspraak bestond op vergoeding daarvan, schoot de zorgorganisatie tekort in de nakoming van haar inlichtingenverplichtingen – zowel contractuele verplichtingen als verplichtingen op grond van de Zorgverzekeringswet. Door het gebrek aan medewerking – en daarmee aan inzicht in de declaraties – moest aangenomen worden dat op een deel van de door de verzekeraars betaalde zorgdeclaraties geen aanspraak bestond. De zorgverzekeraars hebben daarmee een vordering uit onverschuldigde betaling op de zorgorganisatie.
Ook de bestuurders en toezichthouders werden voor deze vordering persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk gehouden.
Bestuurders: hoge mate van professionaliteit verwacht
De maatstaf voor persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders en toezichthouders ligt in het algemeen hoog: er moet sprake zijn van een persoonlijk ernstig verwijt. De rechter legt daartegenover ook de lat voor het handelen van zorgbestuurders hoog: de publieke financiering van de zorg en de maatschappelijke functie van de zorgorganisatie brengen naar het oordeel van de rechtbank mee dat van bestuurders een hoge mate van professionaliteit mag worden verwacht en dat op hen de verplichting rust om over ontvangen gelden rekening en verantwoording af te leggen. Aan die verplichting hadden zij niet voldaan.
Dezelfde rechtbank en de rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelden eerder ook dat de publieke financiering van zorg meebrengt dat een hoge mate van professionaliteit van bestuurders mag worden verwacht. De volledige uitspraken leest u hier (Den Haag) en hier (Zeeland-West-Brabant) terug. In deze beide gevallen werden geen toezichthouders aangesproken.
Toezichthouders: aandacht voor de maatschappelijke functie
Ook voor het handelen van de toezichthouders legt de rechtbank Den Haag de lat in deze uitspraak hoog. Daartoe verwijst de rechtbank naar de statuten van de zorgorganisatie waarin – in lijn met de Governancecode Zorg 2022 – is bepaald dat de toezichthouders zich richten naar het belang van de zorgorganisatie als maatschappelijke onderneming (de Code spreekt van de ‘maatschappelijke positie van de zorgorganisatie’). Zij dienen daarbij ook de belangen van de bij de zorgorganisatie betrokken belanghebbenden mee te wegen. De rechtbank oordeelt dat vanuit deze maatschappelijke functie van toezichthouders in de zorg meer wordt verwacht dan het enkel controleren van het bestuur.
In het voorliggende geval konden de toezichthouders daarbij niet aantonen dat zij voldaan hadden aan hun eigen verantwoordelijkheid om voldoende informatie van het bestuur te verlangen. Ook oordeelt de rechter dat zij onvoldoende adequaat hebben gereageerd toen eenmaal bekend werd dat zorgverzekeraars de declaraties wilden onderzoeken. Om die reden houdt de rechtbank ook de toezichthouders persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk voor de vorderingen van de zorgverzekeraars.
Vervolg?
Gelet op de verstrekkende gevolgen van de uitspraak – in het bijzonder de persoonlijke aansprakelijkheid van zowel de bestuurders als de toezichthouders – lijkt de kans groot dat tegen deze uitspraak hoger beroep zal worden ingesteld. In dat geval zal het gerechtshof de zaak opnieuw beoordelen, mogelijk op basis van nieuwe of aanvullende argumenten. Zonder vooruit te lopen op het oordeel van het gerechtshof, menen wij dat er goede argumenten zijn op grond waarvan het gerechtshof tot een ander oordeel kan komen. Dit geldt in het bijzonder ten aanzien van het oordeel over de toezichthouders. Nu zij geen uitvoerende rol hebben, wordt in de jurisprudentie voor hun persoonlijke aansprakelijkheid een (nog) strengere maatstaf aangelegd dan voor bestuurders. De rechtbank heeft dit onderscheid niet expliciet gemaakt en is mogelijk onvoldoende ingegaan op de vraag hoe het handelen van de toezichthouders – die nu eenmaal geen uitvoerende rol hebben – rechtstreeks causaal heeft bijgedragen aan de schade van de verzekeraars.