4 min read

Update non-bancaire financiering: jurisprudentie

27 augustus 2026

 

De Hoge Raad heeft op 3 juli 2026 een arrest gewezen over het bepaaldheidsvereiste bij cessie. Op grond van artikel 3:84 lid 1 BW wordt voor overdracht van een goed (waaronder ook een vordering) vereist: “een levering krachtens geldige titel, verricht door hem die bevoegd is over het goed te beschikken.” Op grond van artikel 3:84 lid 2 BW moet bij de titel “het goed met voldoende bepaaldheid omschreven zijn.“ Voor de overdracht van vorderingen op naam geschiedt de levering door een daartoe bestemde akte en mededeling aan de schuldenaar, dan wel door een daartoe bestemde authentieke of geregistreerde onderhandse akte zonder mededeling (artikel 3:94 lid 1 en lid 3 BW). De Hoge Raad bevestigt dat de vraag welke vorderingen zijn overgedragen achteraf aan de hand van objectieve gegevens moet kunnen worden beantwoord. Getuigenverklaringen over de subjectieve bekendheid van de cedent volstaan daarvoor niet zonder meer. Het hof oordeelde dat de omschrijving “vorderingen (…) voor zover deze [de cedent] bekend zijn en redelijkerwijs bekend kunnen zijn” niet voldoet aan het bepaaldheidsvereiste. De Hoge Raad oordeelt dat dit oordeel van het hof geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Als de over te dragen vordering onvoldoende bepaald is, gaat deze bij de cessie niet over. Dit arrest onderstreept het belang van een duidelijke, zorgvuldige vastlegging.

In deze uitspraak gaat het over de nakoming van een zakelijke kredietovereenkomst in een geschil tussen Qred Bank AB en een Nederlandse kredietnemer, waarbij de kredietnemer de geldigheid van de cessie van de vordering betwistte op de grond dat de mededeling van de overdracht was gedaan vóór ondertekening van de cessieakte. De rechtbank verwerpt dit verweer en oordeelt dat het voor de geldigheid van een cessie onverschillig is in welke volgorde aan de constitutieve vereisten – akte en mededeling aan de schuldenaar – wordt voldaan. Een cessie is dus rechtsgeldig ook indien de mededeling aan de schuldenaar de ondertekening van de akte voorafgaat.

Voorts is in geschil of over de openstaande hoofdsom wettelijke handelsrente (art. 6:119a BW) verschuldigd is. De rechtbank oordeelt dat artikel 6:119a BW uitsluitend betrekking heeft op de geldelijke tegenprestatie voor de kredietverlening, te weten de contractuele rente, en niet op aflossingstermijnen. Aflossingen vormen geen “geldelijke tegenprestatie” in de zin van de Handelsrichtlijn; daarover is enkel de gewone wettelijke rente van artikel 6:119 BW verschuldigd. Omdat de eisende partij niet inzichtelijk had gemaakt welk deel van de hoofdsom de contractuele rente betrof, kon de handelsrente in het geheel niet worden toegewezen. Voor kredietverstrekkers en vorderingkopers geldt derhalve dat inzichtelijk moet worden gemaakt welk deel van de (hoofd)som de contractuele rente betreft en welk deel bestaat uit aflossingen, en dat de wettelijke handelsrente uitsluitend over de rentecomponent kan worden gevorderd.

  • A-G HvJ, 25 februari 2026 – Beheer verkochte kredieten niet btw-vrijgesteld

Essentie:

Deze conclusie van de A-G bij het HvJ impliceert dat kredietbeheersdiensten in beginsel belast zijn met btw wanneer zij worden verricht door een partij die niet (meer) de kredietgever is. Dit kan leiden tot een extra kostenpost wanneer geen of slechts beperkt recht op aftrek van voorbelasting bestaat. Het is echter aan het Hof van Justitie om hierover definitief te oordelen.

Conclusie

Het Finse A Oy verstrekt woningkredieten. In het kader van een securitisatiestructuur draagt A Oy deze kredieten, inclusief alle rechten en verplichtingen, over aan haar dochtervennootschap B Oy. A Oy blijft vervolgens optreden richting de kredietnemers en verzorgt het beheer van de kredieten en de bijbehorende zekerheden. Voor deze beheerdiensten ontvangt A Oy een marktconforme vergoeding van B Oy.

Hoewel een groot deel van de financiële diensten op grond van artikel 135, lid 1, onder b tot en met d, van de btw-richtlijn is vrijgesteld, geldt deze vrijstelling niet voor alle activiteiten binnen de financiële sector. In deze zaak staat centraal of de door A Oy verrichte beheerdiensten onder deze vrijstellingen kunnen worden gebracht. Niet in geschil is dat de overdracht van de kredieten zelf btw-vrijgesteld is.

Advocaat-generaal Brkan concludeert dat dit beheer in beginsel niet onder de btw-vrijstellingen van artikel 135, lid 1, onder b, c en d, van de btw-richtlijn valt. Volgens de A-G is de vrijstelling voor kredietbeheer beperkt tot het beheer door de oorspronkelijke kredietgever. Indien de kredieten na verstrekking worden overgedragen en de verkoper deze vervolgens tegen vergoeding blijft beheren, is geen sprake meer van vrijgesteld kredietbeheer. Ook de andere btw-vrijstellingen zijn volgens de A-G niet van toepassing. Het beheer van kredieten kwalificeert namelijk niet als een vrijgestelde handeling inzake garanties of zekerheden, noch als een handeling betreffende schuldvorderingen.

Het EU-Gerecht heeft op 17 juni 2026 arrest gewezen (T-184/25), in lijn met de conclusie van de Advocaat-Generaal.

Terug
Update non-bancaire financiering: jurisprudentie