Fiscale eenheid btw: geen financiële verwevenheid door statuten en van toepassing zijnde onderwijswet- en regelgeving?
Op 15 juli 2026 oordeelde het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: “Hof”) dat vier stichtingen, die gezamenlijk onderwijs- en opvangactiviteiten ontplooien, geen fiscale eenheid btw vormen, omdat de vereiste financiële verwevenheid ontbreekt. Volgens het Hof staan de statuten en de toepasselijke overheidsvoorschriften in de weg aan de vereiste financiële verwevenheid. Een opvallende uitspraak met mogelijk grote gevolgen voor samenwerkingen tussen onderwijs en kinderopvang. In dit artikel belichten wij de uitspraak.
Samenwerkingsvormen bij structuur met kinderopvangstichting
Samenwerkingsvormen bij structuur met kinderopvangstichting
Feiten
De zaak draait om een stichting voor basisonderwijs en drie kinderopvangstichtingen: één voor dagopvang, één voor tussenschoolse opvang en één voor het beheer van financiën en bedrijfsmiddelen. De drie kinderopvangstichtingen vormen sinds 2014 samen al een fiscale eenheid btw.
Alle vier de stichtingen hebben hetzelfde bestuur en dezelfde raad van toezicht: een zogenoemde personele unie, in de afbeelding hierboven aangegeven onder 1A. Zij werken al meer dan dertien jaar nauw samen. Zo hebben zij dezelfde doelstelling, vindt benoeming, schorsing en ontslag van het bestuur plaats door dezelfde personen en ligt de beslissings- en vertegenwoordigingsbevoegdheid in dezelfde handen. Daarnaast hebben de bestuurders van de onderwijsstichting beschikkingsmacht over de bankrekeningen van de kinderopvangstichtingen en worden belangrijke financiële besluiten door dezelfde personen genomen. Consultancy, beleidsstrategie, administratie en backoffice worden gezamenlijk ingekocht en er is een gezamenlijke begroting op locatieniveau. Deze nauwe geïntegreerde samenwerking tussen onderwijs en opvang heeft financiële gevolgen over en weer. De onderlinge dienstverlening bedroeg over een periode van tien jaar circa € 2,25 miljoen.
In 2018 verzocht de onderwijsstichting om toe te treden tot de bestaande fiscale eenheid btw. De Belastingdienst wees dit af wegens het ontbreken van financiële verwevenheid. Bezwaar en beroep bij de rechtbank hadden geen succes, waarna de vier stichtingen hoger beroep instelden.
Oordeel van het Hof
Het Hof oordeelde dat de onderwijsstichting niet heeft aangetoond dat sprake is van financiële verwevenheid. De personele unie is volgens het Hof op zichzelf onvoldoende: het feit dat dezelfde personen aan het roer staan, betekent nog niet dat de ene stichting daadwerkelijk zeggenschap heeft over de financiële situatie van de andere. Bovendien leveren de statuten en overheidsvoorschriften volgens het Hof belemmeringen op die in de weg staan aan de vereiste financiële verwevenheid.
Onze beschouwing
De vraag of sprake is van financiële verwevenheid dient te worden beantwoord aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden. Het vormen van een personele unie, als gevolg waarvan een bepaalde mate van onderlinge zeggenschap aanwezig is, is één van die relevante feiten en omstandigheden. Dat het Hof oordeelt dat die personele unie op zichzelf bezien niet leidt tot financiële verwevenheid, kunnen wij in principe dan ook volgen.
Wat wij níét kunnen volgen, is het oordeel dat de statuten en overheidsvoorschriften in de weg staan aan financiële verwevenheid. Dat de geldmiddelen van de onderwijsstichting uitsluitend voor het onderwijs mogen worden aangewend, impliceert volgens het Hof dat de financiële posities niet in een gewenste onderlinge verhouding kunnen worden gebracht. Daarbij miskent het Hof echter een wezenlijk onderscheid. De onderwijswet- en regelgeving – en ook de statuten – verbiedt de onderwijsstichting om gelden te schenken aan doelen die geen verband houden met het onderwijs en daarmee niet in lijn zijn met haar doelstelling. Dat neemt niet weg dat de onderwijsstichting wél gelden mag besteden aan diensten van de kinderopvangstichtingen, mits daar een tegenprestatie tegenover staat – en dat is precies wat in de praktijk gebeurt. Het oordeel van het Hof veronderstelt daarmee ten onrechte dat voor financiële verwevenheid is vereist dat gelden zonder tegenprestatie van de ene stichting naar de andere kunnen vloeien. Dat is echter niet de maatstaf. Het is bovendien een situatie die in de praktijk onwenselijk zou zijn en zich dus ook niet voordoet.
Vergelijk het met een kinderopvang-B.V. waarvan de onderwijsstichting 100% van de aandelen houdt: dan is zonder meer sprake van financiële verwevenheid, ongeacht of er daadwerkelijk geld van onderwijs naar kinderopvang stroomt. De uitspraak van het Hof kan daarom ons inziens niet zien op structuren met een kinderopvang-B.V. zoals weergegeven in de afbeelding onder 2A t/m 2C.
Dit leidt evenwel tot de vraag waarom dat bij stichtingen anders zou moeten zijn. De Hoge Raad vereist niet dat financiële posities daadwerkelijk worden beïnvloed – voldoende is dat dit mogelijk is – en evenmin is een verhouding van ondergeschiktheid vereist. Door de statutaire bestedingsbeperkingen en de van toepassing zijnde onderwijswet- en regelgeving tóch als belemmering aan te merken, dreigt een criterium te ontstaan waaraan samenwerkende onderwijs- en opvangstichtingen per definitie niet kunnen voldoen.
Impact van het oordeel
De impact van dit oordeel reikt verder dan deze zaak alleen. In de onderwijs- en opvangsector is al jaren een ontwikkeling gaande waarin stichtingen voor primair onderwijs en kinderopvang steeds intensiever samenwerken – vaak onder één dak, met gedeelde huisvesting, gezamenlijke inkoop en een doorlopende leer- en ontwikkellijn voor kinderen. Die samenwerking brengt onderling dienstenverkeer mee, dat in beginsel btw-belast is. Als de betrokken stichtingen een fiscale eenheid btw vormen, blijft die btw-druk achterwege. Door het oordeel van het Hof dreigt die mogelijkheid voor samenwerkende onderwijs- en opvangstichtingen echter buiten bereik te raken, met als gevolg dat btw een extra kostenpost vormt bij de samenwerking. Dat remt een maatschappelijk gewenste ontwikkeling af. Wat ons betreft is deze uitspraak dan ook materie voor de Hoge Raad, reden waarom er inmiddels cassatie is ingesteld.