De onderneming onder de wapenen
Van marktordening naar mobilisatie: de Wet weerbare defensie-industrie
Op 8 juli 2026 stemde de ministerraad in met het wetsvoorstel voor de Wet weerbare defensie-industrie. Het voorstel is daarna ter advisering naar de Raad van State gegaan. Het wetsvoorstel rust op drie pijlers: een sectorspecifieke veiligheidstoets voor investeringen, fusies en overnames, een stelsel van geschiktheidsverklaringen voor bedrijven die meedingen naar buitenlandse defensieorders, en een bevoegdheid om ondernemingen in uitzonderlijke omstandigheden verplichtingen op te leggen rond productie, instandhouding, bevoorrading en voorraadvorming. De defensie-industrie mag geen “speelbal” worden van anderen in een instabiele wereld, aldus minister Yesilgöz in Het Financieele Dagblad van 15 juli 2026.
Wie de kalender ernaast legt, ziet het patroon. Vijf dagen eerder, op 3 juli 2026, tekende Defensie de samenwerkingsovereenkomst met het Amsterdamse dronesoftwarebedrijf Intelic, waarbij de mogelijkheid van een toekomstig gouden aandeel nadrukkelijk op tafel lag. Binnen één week zette de Staat twee complementaire stappen: privaatrechtelijk bereidt hij zich voor op bijzondere zeggenschap, publiekrechtelijk op bijzondere interventiemacht. De strekking is in beide gevallen dezelfde: de private onderneming wordt opnieuw onderdeel van de publieke veiligheidsarchitectuur, zonder dat zij haar private karakter verliest.
Daarin schuilt een reële spanning. De Staat heeft private ondernemingen nodig juist omdat zij ondernemend, innovatief en kapitaalkrachtig zijn. Tegelijkertijd probeert hij via regulering een deel van die autonomie beschikbaar te maken voor publieke doeleinden. De centrale rechtsvraag is dan ook: hoeveel publieke beschikbaarheid kan de Staat van private ondernemingen verlangen zonder het private ondernemerschap te ondermijnen waarvan hij voor diezelfde weerbaarheid afhankelijk is?
Drie pijlers van publieke beschikbaarheid
De onderstaande analyse steunt op de consultatieversie uit 2024 en het nieuwsbericht van de Rijksoverheid van 8 juli 2026 over de instemming van de ministerraad. Uit dat bericht blijkt dat het voorstel na de consultatie is aangepast, met meer nadruk op overleg, maatwerk en aanwijzing als uiterste middel. De definitieve wettekst is nog niet openbaar en kan op onderdelen afwijken.
Voor zover uit de consultatieversie kan worden afgeleid, krijgt de interventiemacht juridisch vorm via publiekrechtelijke aanwijzingen, waaronder het belasten van ondernemingen met een dienst van algemeen economisch belang, naast afzonderlijke regimes voor strategische voorraadvorming en sturing op de toeleveringsketen. Opmerkelijk was dat de concepttekst geen gegarandeerde volledige vergoeding kende: voor bepaalde kosten kon op verzoek een vergoeding worden toegekend, eventueel met een redelijke winstopslag. Dat is geen inkoop, maar ook geen klassieke vordering. Het is een tussenvorm waarvan de vergoedingssystematiek het politieke en juridische kernpunt zal worden.
De veiligheidstoets voegt een sectorspecifiek regime toe aan het bestaande landschap van investeringstoetsing. De Wet vifo kan defensiegerelateerde ondernemingen al raken via de categorieën militaire goederen en sensitieve technologie. Het wetsvoorstel kiest echter voor een toets die rechtstreeks is toegesneden op de operationele relevantie voor en inzetzekerheid van de krijgsmacht. Dat verschil is wezenlijker dan het lijkt: niet de aard van de technologie, maar de betekenis voor de krijgsmacht wordt het aanknopingspunt. Consultatiedocumenten uit 2024 gingen uit van een toets die circa 175 ondernemingen kon raken, binnen een inmiddels snel groeiende Nederlandse defensie- en veiligheidsgerelateerde industriële basis waarvan recente sectorstudies ruwweg 1.500 organisaties tellen, al hanteren bronnen uiteenlopende definities. Juist die definitiekwestie wordt juridisch relevant: wie de doelgroep afbakent, bepaalt wie het regime draagt.
De geschiktheidsverklaring is het minst besproken onderdeel van de wet. Zij fungeert niet als schild maar als paspoort: een overheidsstempel dat Nederlandse bedrijven internationaal moet positioneren in EU- en NAVO-verband. Die drieslag van beschermen, versterken en positioneren weerspiegelt de nieuwe logica van het economisch recht: bescherming en bevordering zitten in één wet, onder één toezichthouder, het Bureau Toetsing Investeringen.
De convergentie van drie transities
Het wetsvoorstel staat niet op zichzelf maar bevindt zich op het snijvlak van drie gelijktijdige transities. De geopolitieke transitie maakt van voorzieningszekerheid een rechtsbelang: Draghi benoemde in september 2024 de strategische kwetsbaarheid van Europa als kernprobleem, en Wennink bestempelde in december 2025 veiligheid en weerbaarheid als volwaardig investeringsdomein naast digitalisering, life sciences en energie, met een nationale investeringsopgave van 151 tot 187 miljard euro tot 2035. De digitale transitie verklaart waarom software, data en dual-use technologie het zwaartepunt vormen: de ervaringen in Oekraïne laten zien dat digitale capaciteiten minstens zo beslissend zijn als conventionele productie. En de industriële transitie, te begrijpen als de terugkeer van productiecapaciteit als beleidsdoel, verklaart de opschalingsplicht: niet wat een bedrijf vandaag maakt is beslissend, maar wat het morgen kan maken.
Voor de rechtspraktijk betekent die convergentie een rolverschuiving. Wie deze sector bedient, is niet langer alleen begeleider van transacties, maar architect van publiek-private arrangementen waarin eigendom, zeggenschap, leveringszekerheid en nationale veiligheid in één contract of één statutenwijziging samenkomen.
Het Europese toneel verschuift onder de wet
De Europese context verdient meer aandacht dan zij in het debat krijgt. Die context is de afgelopen maanden fundamenteel veranderd. De EDIP-verordening kent sinds eind december 2025 een Europees kader dat eveneens inzet op tijdige beschikbaarheid en bevoorradingszekerheid van defensieproducten, op Europees niveau de meest directe tegenhanger van de nationale mobilisatielogica. Belangrijker nog: op 17 juni 2026 is Verordening (EU) 2026/1386 vastgesteld, de geheel vernieuwde Europese regeling voor de screening van buitenlandse investeringen. Zij verplicht alle lidstaten tot een screeningsmechanisme met een minimumbereik dat onder meer militaire goederen en dual-use technologie omvat, stelt procedurele eisen aan transparantie, termijnen en toegang tot de rechter, en wordt na een overgangsperiode van toepassing per 17 januari 2028.
Daarmee verschuift de centrale vraag. Niet langer of Nederland een nationale kop op Europese regelgeving zet, het verwijt uit de consultatie van 2024, maar hoe een nieuwe Nederlandse sectorspecifieke investeringstoets past in een Europees landschap dat in vrijwel dezelfde wetgevingsperiode aan een verplicht minimumniveau wordt onderworpen. Dat biedt kansen en risico’s tegelijk. De kans: de verordening legitimeert screening van defensie-investeringen als Europese norm en verzwakt daarmee het argument dat Nederland een onnodige nationale kop creëert. Het risico: een Nederlandse toets die onder het Europese minimum blijft of zonder duidelijke rechtvaardiging sterk afwijkt in criteria, procedures of rechtsbescherming, kan de fragmentatie bestendigen die de verordening juist wil verminderen. De wetgever doet er verstandig aan de defensietoets nu zo in te richten dat zij zonder fundamentele verbouwing in het Europese kader van 2028 past.
Haken, ogen en dilemma’s
Ook de overige juridische vragen zijn aanzienlijk. De eerste is afbakening en rechtszekerheid. Voor zover de uiteindelijke wet werkt met een aanwijzing van ondernemingen die onder het regime vallen, rijst onmiddellijk de vraag naar criteria, kenbaarheid en rechtsbescherming. Wie eenmaal onder het regime valt, draagt wat men een latente publiekrechtelijke last zou kunnen noemen: overnames worden getoetst, productiecapaciteit kan onderwerp worden van een publiekrechtelijke aanwijzing. Die latente beperking van de ondernemingsvrijheid kan waardebepalend zijn en moet daarom voorzienbaar, gemotiveerd en toetsbaar zijn.
De tweede is vennootschapsrechtelijk en financieel. Een productieaanwijzing doorkruist lopende contracten, leveringsverplichtingen en financieringsconvenanten. Het bestuur dat een aanwijzing opvolgt, handelt conform zijn publiekrechtelijke verplichting, maar kan daardoor mogelijk niet langer aan contractuele verplichtingen voldoen. Vervolgens rijzen vragen over toerekenbaarheid, overmacht en risicoverdeling die de wet niet met een enkele vergoeding aan de aangewezen onderneming oplost. Een adequate vergoedingssystematiek zal daarom ook oog moeten hebben voor de contractuele en financiële keteneffecten waarin de onderneming is ingebed. Het bestuur staat daarmee niet zozeer voor een nieuw vennootschappelijk belang als wel voor een beperktere ruimte waarbinnen het dat belang moet dienen: de publieke veiligheidsopdracht staat niet in Boek 2, maar kan de bestuurlijke autonomie die Boek 2 veronderstelt wel ingrijpend begrenzen. Commissarissen van de beoogde doelgroep doen er verstandig aan dit scenario nu al te doordenken, van informatieprotocol tot impasseregeling, dezelfde discipline die wij eerder bepleitten voor ondernemingen met een staatsprioriteit.
De derde is het draagvlakdilemma. De wet leunt op het uitgangspunt dat normale samenwerking voorop staat en verplichting het uiterste middel is. Maar een bevoegdheid die er is, beïnvloedt onderhandelingen ook als zij nooit wordt gebruikt: het bestaan van de aanwijzingsbevoegdheid werkt door in elke inkooprelatie. Dat kan ordenend werken, maar het kan ook het vertrouwen tussen overheid en bedrijfsleven onder druk zetten. De wetgever moet kiezen tussen een ruime bevoegdheid met terughoudend gebruik en een enge bevoegdheid met geloofwaardige inzet. Een ruime bevoegdheid biedt flexibiliteit maar ondermijnt voorspelbaarheid; een enge bevoegdheid is juridisch robuuster maar vereist dat de wetgever vooraf precies bepaalt wanneer ingrijpen gerechtvaardigd is.
Waar de wetgevingsstrijd zal liggen
Wij verwachten dat het advies van de Raad van State en de parlementaire behandeling zich op vier fronten zullen concentreren. Eerst de afbakening van de doelgroep en de rechtsbescherming voor ondernemingen die onder het regime worden gebracht: het beginsel van rechtszekerheid vereist heldere criteria voor de afbakening en effectieve toegang tot de rechter. Dan de vergoedingssystematiek van de aanwijzingsbevoegdheid: tussen nadeelcompensatie, marktconforme vergoeding en redelijke winstopslag liggen fundamenteel verschillende opvattingen over wat de Staat van een onderneming mag vragen. Vervolgens de parlementaire betrokkenheid: verwacht amendementen over voorhang bij de activerende besluitvorming en een evaluatie- of horizonbepaling. En ten slotte de Europese inpassing: de verhouding tot EDIP en tot Verordening 2026/1386 dwingt tot een keuze tussen synchroniseren en vooruitlopen.
Daarbij bestaat er een relevant verschil tussen de drie pijlers. Bij de veiligheidstoets zal de discussie vermoedelijk vooral gaan over afbakening en Europese samenloop; bij de geschiktheidsverklaring over toegang en gelijke behandeling. De aanwijzingsbevoegdheid raakt daarentegen rechtstreeks aan de vrijheid van private ondernemingen om over hun capaciteit, contracten en kapitaal te beschikken. Juist daar zal de vraag naar clausulering het scherpst zijn: niet omdat de dreiging wordt betwist, maar omdat uitzonderingsbevoegdheden doorgaans langer meegaan dan de omstandigheden waaronder zij worden ingevoerd.
Slot
De Wet weerbare defensie-industrie markeert, samen met de voorbereiding van het prioriteitsaandeel bij Intelic, een verschuiving van een economie die beschermd wordt naar een economie die gemobiliseerd kan worden. Dat is een wezenlijk verschil, en het is de kern van de nieuwe benadering: van bescherming tegen ongewenste invloed naar positieve aanspraken van de Staat op de beschikbaarheid van private capaciteit.
Bescherming vraagt van de overheid terughoudendheid. Mobilisatie vraagt van de onderneming beschikbaarheid. De wet kan productie opdragen, voorraad voorschrijven en opschaling afdwingen. Weerbaarheid zelf laat zich niet bevelen: wie haar wil oogsten, moet vertrouwen zaaien.