Implementatiewet kapitaalvereisten 2026 ingediend bij Tweede Kamer: derde landen regime voor niet-EU banken?
Op 9 juli 2024 zijn de gewijzigde Verordening kapitaalsvereisten (Verordening (EU) 2024/1623) en de gewijzigde Richtlijn kapitaalsvereisten (Richtlijn (EU) 2024/1619) in werking getreden. Nederland heeft als een van de eerste lidstaten (op 30 april 2025) een ontwerp Implementatiewet kapitaalvereisten 2026 ter consultatie gepubliceerd. Op 19 januari 2026 is vervolgens bij de Tweede Kamer het wetsvoorstel ingediend. Het wetsvoorstel wijzigt onder meer artikelen in de Wet op het financieel toezicht (Wft) en introduceert een bijkantoor- en vergunningregime voor bankdiensten uit derde landen.
Nieuw regime
Een in het oog springend onderdeel van het wetsvoorstel is de introductie van een EU-geharmoniseerd regime voor ondernemingen uit derde landen die op grensoverschrijdende wijze (zonder bijkantoor) core banking services aanbieden (lees: verstrekken van leningen, aantrekken van deposito’s en andere opvorderbare gelden en verlenen van garanties en het stellen van borgtochten). Deze ondernemingen zullen in beginsel over een bijkantoor in Nederland moeten beschikken en dienovereenkomstig een vergunning van De Nederlandsche Bank. Voor het verstrekken van leningen en het verlenen van garanties is een bijkantoor alleen vereist indien de niet-EU-onderneming, indien zij in Nederland gevestigd zou zijn, als bank zou kwalificeren. Voor het aantrekken van deposito’s en andere opvorderbare gelden geldt daarentegen voor iedere niet-EU-onderneming een bijkantoor- en vergunningplicht.
Thans zal naar verwachting en, indien het wetsvoorstel wordt aangenomen, dat per 11 januari 2027 dit regime in werking zal treden. Het wetsvoorstel introduceert daarnaast (onder meer) een onderscheid tussen klasse 1- en klasse 2-bijkantoren, met verschillende prudentiële vereisten en toezichtintensiteit, alsmede nieuwe rapportageverplichtingen voor derde-landenbijkantoren (vanaf 11 juli 2026).
Overgangsregeling en aandachtspunten
Overeenkomsten die voor 11 juli 2026 zijn gesloten vallen buiten de nieuwe bijkantoor- en vergunningplicht. Bestaande overeenkomsten mogen echter niet worden gewijzigd of aangepast zonder dat aan de nieuwe vereisten is voldaan; zij kunnen uitsluitend aflopen.
Bij de toepassing van het nieuwe regime zijn verder de volgende aspecten van belang:
- de definitie van deposito’s en andere opvorderbare gelden is niet beperkt tot gelden die van het publiek worden aangetrokken;
- obligatie-uitgiftes conform de Prospectusverordening zijn uitdrukkelijk uitgezonderd van de nieuwe bijkantoor- en vergunningplicht; dergelijke uitgiftes leiden dus niet tot de verplichting een derde-landenbijkantoor te vestigen; en
- de definitie van “bank” (overeenkomstig de definitie uit artikel 1:1 Wft) is bepalend voor de vraag wanneer het verstrekken van leningen en het verlenen van garanties door een niet-EU onderneming onder het nieuwe regime valt.
Impact voor de praktijk
Voor niet-EU instellingen betekent het nieuwe regime dat zij tijdig moeten beoordelen of hun activiteiten in Nederland onder de definitie van core banking services vallen en of een (vergunninghoudend)bijkantoor dienovereenkomstig verplicht zal zijn.
Vervolg
Het wetsvoorstel bevindt zich in de fase van parlementaire behandeling bij de Tweede Kamer en is nog niet definitief vastgesteld. De inhoud kan gedurende dit proces nog worden gewijzigd door amendementen of naar aanleiding van inbreng vanuit de Tweede Kamer. Na aanvaarding door de Tweede Kamer dient het wetsvoorstel tevens te worden behandeld door de Eerste Kamer alvorens het als wet in werking kan treden.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Ruben Verschuren & Lisanne Poyé.