Beslissing Wob-verzoek Hoge en Bijzondere Transacties: verplichte (grotendeels weggelakte) literatuur voor de ondernemingsstrafrecht praktijk

24-10-2017

Over de strafrechtelijke transactiepraktijk is het afgelopen jaar veel te doen geweest (zie mijn blog van 26 april 2017 voor het Nederlands Juristenblad). Onlangs stuurde de minister van Veiligheid en Justitie een brief aan de Tweede Kamer met daarbij onder meer het Besluit op een Wob-verzoek dat zag op alle zich bij het College van procureurs-generaal (het College) en het ministerie van Veiligheid en Justitie (het Ministerie) bevindende documenten met betrekking tot hoge en bijzondere transacties die vanaf 2012 ter instemming zijn voorgelegd aan de opeenvolgende ministers van Veiligheid en Justitie, alsmede de zich in het College bevindende beleidsdocumenten ten aanzien van dit onderwerp. Voor iedereen die zich bezig houdt met de ondernemingstrafrecht praktijk zijn het Besluit, en de - ondanks dat grote delen zijn weggepoetst - bijlagen bij dit Besluit verplichte kost.

     Ik lees deze beperking tot bepaalde
     transacties niet in de Aanwijzing

Achtergrond van hoge en bijzondere transacties

In het Besluit wordt eerst ingegaan op de achtergrond van hoge en bijzondere transacties. Aangegeven is dat de bevoegde officier van justitie de beslissing om een transactie aan te bieden "autonoom" neemt. Daarmee zal toch meer algemeen “het Openbaar Ministerie” zijn bedoeld. In de Aanwijzing hoge en bijzondere transacties (de Aanwijzing) zelf is aangegeven, dat de officier van justitie een voorgenomen hoge of bijzondere transactie voorlegt aan de parketleiding. Als de parketleiding instemt, wordt de voorgenomen transactie voorgelegd aan het College. Het College toetst integraal. Bepaalde transacties moeten, zo staat in het Besluit, worden voorgelegd aan de minister van Veiligheid en Justitie (de Minister). Ik lees deze beperking tot bepaalde transacties niet in de Aanwijzing.

     Toch ontkom ik in de praktijk niet aan de indruk dat bij de toetsing andere aardse
    
zaken ten onrechte een rol kunnen spelen bij (onder meer de timing van) de
    
besluitvorming

Daarna is aangegeven dat de terughoudendheid die de Minister past bij de bemoeienis met individuele strafzaken met zich meebrengt, dat diens toets zich beperkt tot het oordeel of het Openbaar Ministerie in redelijkheid kon komen tot het standpunt dat de voorgelegde zaak met een transactie kan worden afgedaan. Dit zou inderdaad zo moeten zijn. Toch ontkom ik in de praktijk niet aan de indruk dat bij de toetsing andere aardse zaken (waaronder de politieke en media impact voor de betrokken bewindspersoon) ten onrechte een rol kunnen spelen bij (onder meer de timing van) de besluitvorming. De bijlagen verschaffen daarin niet veel inzicht.

     Dit plaatst het verwijt van (een toename van) megaschikkingen in
     achterkamertjes ook weer in een ander licht

Bijlagen bij het Besluit

Als bijlagen zijn een inventarisatie (Bijlage 2), een getalsmatig overzicht (Bijlage 3), informatie per transactie en persberichten bijgevoegd. In het Besluit is aangegeven dat in zijn algemeenheid gezegd kan worden dat het aantal hoge en bijzondere transacties door de jaren heen stabiel is te noemen. Die conclusie kan op basis van het getalsmatige overzicht denk ik wel getrokken worden. Dit plaatst het verwijt van (een toename van) megaschikkingen in achterkamertjes ook weer in een ander licht. De belangstelling en het verwijt hebben misschien meer te maken met enkele wel zeer omvangrijke transacties. Transacties die bovendien in een internationaal kader tot stand kwamen. Ten aanzien van dergelijke internationale transacties blijft het besluit aan de oppervlakte. Enkel wordt aangegeven dat bij grensoverschrijdende financieel-economische criminaliteit afstemming plaatsvindt. Niet aangegeven is wat de eventuele gevolgen zijn voor de inhoud van de transactie. Geconstateerd moet worden, dat de twee uitschieters in 2014 ($ 40 miljoen $ 200 miljoen ontneming) en 2016 (€ 397.500,= (totaal)) juist in die internationale context tot stand komen. Daarnaast is de publieke verantwoording mijns inziens de afgelopen jaren juist verder toegenomen, al zijn persberichten er nog in alle soorten en maten. Soms nog beknopt en soms zeer uitgebreid (zelfs met een aanvullend feitenrelaas).

     Geconstateerd wordt, dat het recht op openbaarmaking van de Wob uitsluitend
     het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering dient

Verwijzing naar de Wob

Ten slotte wordt uitvoerig beschreven waarom bepaalde informatie niet verstrekt wordt. De beantwoording is niet verrassend, maar verschaft onder verwijzing naar de relevante bepalingen uit de Wob (art. 3, 10 en 10) voor de praktijk een bruikbaar overzicht van de te nemen stappen. Geconstateerd wordt, dat het recht op openbaarmaking van de Wob uitsluitend het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering dient. Het komt iedere burger in gelijke mate toe. Daarom kan geen onderscheid worden gemaakt naar gelang de persoon of de bedoeling van de verzoeker. Bij de te verrichten belangenafweging worden dan ook betrokken het algemene belang bij openbaarmaking van de gevraagde informatie enerzijds en de door de weigeringsgronden te beschermen belangen anderzijds.

     Bij deze afweging is ook meegewogen, dat de transacties via persberichten
     bekend zijn gemaakt. Daarmee is er al inzicht in de besluitvorming

Weigeringsgronden

De eerste weigeringsgrond is, dat bepaalde gevraagde informatie achterwege moet blijven, omdat verstrekking zou leiden tot onevenredige benadeling van het Ministerie en het Openbaar Ministerie. De gevraagde informatie biedt tot in detail inzicht in het besluitvormingsproces dat leidt tot het aangaan van een transactie. Het wordt van essentieel belang geacht dat de contacten tussen de betrokken partijen bij het tot stand komen van een transactie in volledige vertrouwelijkheid kunnen blijven plaatsvinden. Bij deze afweging is ook meegewogen, dat de transacties via persberichten bekend zijn gemaakt. Daarmee is er al inzicht in de besluitvorming. Ook zijn documenten geweigerd die zien op persoonlijke beleidsopvattingen. Deze documenten bevatten standpunten, onderliggende argumenten en de weging van relevante feiten en omstandigheden bij het te nemen besluit over de betreffende hoge transactie. Hetzelfde geldt voor e-mailberichten voor zover daarin nadere vragen over de (inhoud van de/overwegingen tot het aangaan van de) hoge transacties worden gesteld en beantwoord in de aanloop naar de besluitvorming door het college en de instemming van de Minister. Voor zover de documenten behalve persoonlijke beleidsopvattingen ook feitelijke beleidsopvattingen bevatten, geldt dat deze feitelijke informatie, alsook de volgorde waarin deze in de documenten voorkomt, op onlosmakelijke wijze met de persoonlijke beleidsopvatting is vervlochten: de feiten kunnen niet los worden gezien van de opvattingen. Er is niet voor gekozen om de informatie in de vorm van niet naar personen herleidbare informatie om te zetten. Verstrekking blijft ook achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van opsporing en vervolging van strafbare feiten. Ten slotte wordt verstrekking geweigerd voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang dat de persoonlijke levenssfeer wordt geëerbiedigd.

Food for thought

Toepassing van al deze weigeringsgronden leidt tot een slechts voor de geoefende lezer nog min of meer te volgen, vrijwel blank gemaakt, overzicht. Voor die geoefende lezer is het dan wel een interessant overzicht met voldoende food for thought!

Dit blog is eerder gepubliceerd op SDU.nl

Terug naar overzicht