Gedifferentieerd korten: de mogelijkheden en beperkingen

11-07-2017

Hoewel de wettelijke kortingsmogelijkheid lange tijd een half sluimerend bestaan leidde, moesten verschillende pensioenfondsen de laatste jaren als gevolg van het intreden van de financiële crisis toch gebruik maken van deze nooduitgang. Inmiddels lijkt het tij gekeerd: dit jaar voerden nog slechts vijf pensioenfondsen een korting door. Door de diverse kortingen die de afgelopen jaren zijn doorgevoerd is meer duidelijk geworden over de do's en don'ts hieromtrent kortingen. Zo heeft DNB diverse Q&A's (zie bijvoorbeeld hier en hier) over dit onderwerp gepubliceerd. En heeft ook de rechterlijke macht zich gebogen over kortingskwesties. In deze bijdrage gaan we in op mogelijkheden voor gedifferentieerd korten aan de hand van twee rechterlijke uitspraken.

Wettelijk kader

Als een pensioenfonds financieel in zwaar weer verkeert, heeft het fonds diverse manieren om zijn financiële positie te verbeteren. Zo kan het fonds indexaties stopzetten, de pensioenpremie verhogen of de opbouw verlagen, maar het fonds kan ook overgaan tot het verminderen van verworven pensioenaanspraken en -rechten (artikel 134 PW). Het korten van verworven aanspraken en rechten wordt in principe beschouwd als een ultimum remedium.

Wanneer een pensioenfonds geen andere uitweg ziet dan een korting door te voeren, past het doorgaans een uniforme korting door. Daarbij zal het fonds ongetwijfeld laten meewegen de solidariteit onder de deelnemers van het fonds. Bovendien sluit het uitgangspunt van een uniforme korting aan op het principe dat het fonds één financieel geheel vormt en zal een uniforme korting in het kader van de evenwichtige belangenbehartiging wellicht makkelijker te verantwoorden zijn.

Daarmee is echter nog niet gegeven dat een gedifferentieerde korting in het geheel niet toelaatbaar zou zijn. Met juist die vragen zagen de Rechtbank Amsterdam en Hof Amsterdam zich geconfronteerd. Naar hun oordeel mocht het pensioenfonds in kwestie gedifferentieerd korten.

Rechtbank Amsterdam en Hof Amsterdam

Pensioenfonds Mercurius zag zich in 2013 en 2014 genoodzaakt om kortingen door te voeren. Om de hoogte van de kortingen te verminderen, verzocht het fonds aan de sponsoren een vrijwillige bijstorting te doen. Vijf aangesloten werkgevers bleken hiertoe bereid, maar drie sponsoren deden geen vrijwillige bijstorting. Een pensioengerechtigde die laatstelijk in dienst was bij de niet-extra-bijstortende sponsor FESE, werd door het pensioenfonds 10,4% gekort op zijn pensioen. 6,4 procentpunt  van deze korting viel terug te voeren op FESE's weigering een aanvullende storting te doen.

De pensioengerechtigde in kwestie (eiser) stapte daarop naar de rechter gestapt en vorderde (i) een verklaring voor recht dat de korting van 6,4% in strijd is met de Pensioenwet en (ii) een gebod, inhoudende dat het pensioenfonds de korting ongedaan moet maken en met terugwerkende kracht een nabetaling moet verrichten.

De eiser stoelde zijn eisen op de gedachte dat het pensioenfonds door gedifferentieerd te korten in strijd handelt met de wettelijke verplichting dat het fonds één financieel geheel vormt en voorts dat het fonds in het kader van de evenwichtige belangenbehartiging, niet tot een gedifferentieerde korting had mogen besluiten. Eiser wijst erop dat het fonds door gedifferentieerd te korten als het ware een scheiding aanbrengt tussen de diverse deelnemers en pensioengerechtigden die werkzaam zijn of waren bij verschillende sponsoren. Dit zou haaks staan op het voorschrift van één financieel geheel. En dus – aldus eiser – moeten bijstortingen ten goede komen aan het financiële geheel en niet slechts aan een (beperkte) groep begunstigden. Meer in het algemeen zou gedifferentieerd korten indruisen tegen de solidariteitsgedachte en tegen de norm van evenwichtige belangenbehartiging. Tot slot klaagt eiser dat DNB de gedifferentieerde korting vooraf niet goedgekeurd heeft.

Zowel de rechtbank als het hof volgen deze gedachtegang niet. Hof Amsterdam geeft allereerst aan dat DNB heeft meegedeeld aan Pensioenfonds Mercurius "geen opmerkingen" te hebben bij de wijze waarop het fonds de korting toepast. DNB heeft daarmee geen goedkeuring onthouden, anders dan eiser stelt. Bovendien merkt het hof op dat DNB geen goedkeuringsrecht heeft.

Vervolgens gaat het hof in op de principiële vraag of artikel 123 PW in de weg staat aan gedifferentieerd korten indien slechts enkele sponsoren vrijwillig bijstorten. Het hof oordeelt dat artikel 123 PW met name betrekking heeft op het uitgangspunt dat pensioenpremies ten goede moeten komen aan alle begunstigden en dat wanneer binnen één regeling een tekort ontstaat, dat tekort moet worden aangevuld vanuit de totale reserves van het fonds. Die verplichtingen bestaan in elk geval zolang het fonds (als geheel) niet in onderdekking is. In het geval van Pensioenfonds Mercurius was het gehele fonds echter wel in onderdekking. Hof Amsterdam oordeelt dat het onder die omstandigheden voor de hand lag om sponsoren te vragen om vrijwillig een bijstorting te doen. Het lag ook voor de hand dat de betalende sponsoren hiertoe slechts bereid zouden zijn wanneer deze vrijwillige betaling enkel ten goede zou komen aan de eigen begunstigden. Het hof oordeelt dat het fonds deze eis van de sponsoren kon inwilligen en daarmee niet ingaat tegen de maatstaven van artikel 105 lid 2 PW die een evenwichtige belangenafweging van alle bij het fonds betrokken partijen voorschrijfven. Hof Amsterdam verwijst daarbij ook naar de parlementaire geschiedenis: evenwichtige belangenbehartiging betekent niet dat belangen gelijk moeten worden behandeld, maar juist evenwichtig (zie p. 85).

Aldus oordeelt het hof dat in dit geval een evenwichtige belangenafweging heeft plaatsgevonden en gaat verder door te oordelen dat uit artikel 123 PW niet voortvloeit dat bijstortingen altijd ten goede moeten komen aan het gehele deelnemersbestand. Het fonds heeft een bepaalde mate van vrijheid om de evenwichtige belangenbehartiging als bedoeld in artikel 105 PW in te vullen. Deze vrijheid is door het fonds op een juiste wijze ingevuld door de vrijwillige bijstorting slechts ten goede te laten komen van de personen die werkzaam zijn of waren bij de betalende sponsoren. De solidariteitsgedachte binnen een pensioenfonds en het financiële geheel kennen dus grenzen.

Conclusie

Hof Amsterdam wijst, net als Rechtbank Amsterdam, de vorderingen van eiser af. Gedifferentieerd korten is dus toegestaan, ook al schrijft artikel 123 PW een financieel geheel voor.

Wij sluiten ons aan bij het oordeel van beide gerechtelijke instanties. De wetgever had immers in 2005 bij het wetsvoorstel voor de Pensioenwet hiervoor al ruimte gecreëerd (zie p. 71). De wetgever gaf aan dat wanneer bij één of meerdere pensioenregelingen een tekort bestaat, maar het fonds als geheel geen dekkingstekort heeft, het tekort moet worden aangevuld vanuit de totale reserves van het fonds. Het fonds moet in dat geval kruissubsidiëring toepassen De wetgever bepaalt echter niet tegelijkertijd dat wanneer het fonds als geheel in onderdekking is, gedifferentieerd korten niet zou zijn toegestaan. Van deze ruimte maken zowel Rechtbank Amsterdam als Hof Amsterdam gebruik.

Gedifferentieerd korten is dus toegestaan, maar de mogelijkheid wordt begrensd door de norm van evenwichtige belangenbehartiging.

Heeft u vragen over (gedifferentieerd) korten, dan kunt u contact opnemen met Desiree van der Veer of Jorn de Bruin.

Contact