Onderwijsinspectie vernieuwt toezichtkader

10-08-2017

Op 1 juli 2017 is de Wet 'doeltreffender regeling van het onderwijstoezicht' in werking getreden. Deze wet brengt een verandering teweeg in het onderwijstoezicht. Per 1 augustus 2017 is daarom ook een gewijzigd onderzoekskader van de Inspectie van het Onderwijs (de Inspectie) in gegaan. De wijzigingen hebben verschillende gevolgen voor de praktijk.

De Inspectie is al een aantal jaren bezig met het vernieuwen van het onderzoekskader. Het nieuwe Onderzoekader 2017 bestaat voor elke sector uit twee delen: (a) een beschrijving van de werkwijze van de Inspectie en (b) een waarderingskader met daarin de door de Inspectie gehanteerde normen. Verschil met het oude toezichtkader is dat de Inspectie duidelijker onderscheid maakt tussen een wettelijke basiskwaliteit en 'eigen' aspecten van kwaliteit van scholen en besturen. De gedachte daarachter is dat de eigen ontwikkeling van schoolbesturen meer ruimte krijgt en de Inspectie minder ruimte neemt om een eigen invulling te geven aan het toetsingskader.

Werkwijze op maat

Het nieuwe toezicht is gericht op het borgen van de basiskwaliteit van het onderwijs in Nederland en het stimuleren van scholen en besturen om te blijven verbeteren. De Inspectie gaat daarbij uit van een onderzoeksplan op maat. Dit onderzoeksplan wordt mede opgesteld door informatie die de Inspectie van schoolbesturen ontvangt en de Inspectie zal daarover met het bestuur in gesprek gaan. In het onderzoeksplan worden ook de eigen ontwikkelingsplannen van het bestuur opgenomen.

Elke vier jaar zal er een bestuursbreed-onderzoek zijn van de Inspectie. Tijdens dat onderzoek zal niet alleen worden gekeken naar de basiskwaliteit van het onderwijs maar ook naar de algemene kwaliteit van het onderwijs (zie hierna). De Inspectie baseert het oordeel over de algemene kwaliteit op de ambities van het bestuur en de manier waarop die ambities al dan niet verwezenlijkt worden. Hiermee hoopt de Inspectie besturen te stimuleren om de kwaliteit van het onderwijs verder te verbeteren.

Tweeledig oordeel van de Inspectie

De Inspectie gaat dus oordelen over de wettelijke basiskwaliteit van het onderwijs en over de onderdelen die zien op de meer algemene kwaliteit daarvan. Onder het oude toezicht waren beide categorie├źn minder duidelijk gescheiden. Op die manier kon het voorkomen dat de Inspectie eisen stelde aan schoolbesturen, zonder dat die eisen gebaseerd waren op wettelijke verplichtingen.

De onderdelen die behoren tot de wettelijke basiskwaliteit zijn gebaseerd op de deugdelijkheideisen van het onderwijs. Indien hierop 'onvoldoende' wordt gescoord kan dit gevolgen hebben voor de bekostiging. De verbeterpunten in het inspectierapport die zien op het bevorderen van de algemene kwaliteit zijn niet verplichtend voor het bestuur. Deze vloeien namelijk niet voort uit de wettelijke deugdelijkheidseisen waar de Inspectie op toe moet zien. Wel kan een school alleen het predicaat 'goed' ontvangen, indien de Inspectie van oordeel is dat ook de algemene kwaliteit op orde is. De Inspectie bekijkt in dat kader of de school de eigen ambities verwezenlijkt.

Het waarderingskader van de Inspectie ziet op vijf kwaliteitsgebieden, onderverdeeld in een aantal standaarden. De volgende vijf kwaliteitsgebieden worden onderscheiden: (i) onderwijsproces, (ii) schoolklimaat, (iii) onderwijsresultaten, (iiii) kwaliteitszorg en ambitie (v) financieel beheer.

Inspectierapport en publicatie

Na het onderzoek stelt de Inspectie een rapport op waarin een oordeel wordt vastgelegd over de kwaliteit van een school of bestuur. Dit rapport wordt in beginsel openbaar gemaakt.

Mocht de Inspectie tot het oordeel komen dat de kwaliteit van het onderwijs op een school zeer zwak is, dan wordt het rapport na vaststelling eerst aangemerkt als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat het bestuur bezwaar kan maken tegen het rapport. Indien de Inspectie dan alsnog wil overgaan tot openbaarmaking van het rapport kan het bestuur zich wenden tot de bestuursrechter. De publicatie van het rapport kan dan worden opgeschort totdat de rechter hier uitspraak over heeft gedaan.

Gevolgen voor de praktijk

Het oordeel van de Inspectie over de kwaliteit van het onderwijs zal gebaseerd moeten zijn op een wettelijke bepaling. Dit biedt - ook samen met het onder omstandigheden openstellen van de weg naar de bestuursrechter - in principe meer zekerheid en bescherming aan schoolbesturen. Scholen en besturen worden daarnaast evenwel gecontroleerd op de verwezenlijking van hun eigen visie en ambities. Dat roept de vraag op in welke mate de rol van de intern toezichthouder (zoals een raad van toezicht) en de rol van de extern toezichthouder (nog verder) gaan overlappen. In een sector waarin steeds meer aandacht is voor rolvastheid en zuivere governance, blijft dit een punt van aandacht.

Contact