GGZ instelling hoeft ouders geen inzage te bieden in medisch dossier overleden dochter

31-07-2017

Op 19 juli 2017 heeft de rechtbank Limburg zich uitgelaten over de vraag of ouders inzage mogen krijgen in het medisch dossier van hun overleden dochter.

Naar aanleiding van de zelfdoding van hun dochter hadden de ouders twijfels over de vraag of de GGZ-instelling waar de dochter in behandeling was, adequaat had gehandeld. Ter verificatie vroegen zij inzage in het medisch dossier van hun dochter. De instelling heeft dit geweigerd. De ouders hebben vervolgens bij de rechter (een kopie van) het medisch dossier gevorderd.

De instelling beriep zich op het medisch beroepsgeheim dat met zich brengt dat een zorgverlener geen inlichtingen over een patiënt mag geven of inzage in of afschrift van een medisch dossier mag verstrekken aan anderen dan de patiënt zelf, tenzij de patiënt daarvoor toestemming heeft gegeven.

De dochter had bij leven geen toestemming gegeven voor inzage in haar medisch dossier door de ouders. Volgens haar ouders moest toestemming voor inzage in het medisch dossier worden verondersteld omdat er een goede band tussen de dochter en ouders was. 

De instelling heeft aangevoerd dat het medisch beroepsgeheim niet eindigt bij de dood van een patiënt omdat dat ertoe zou kunnen leiden dat patiënten geen hulp zoeken of informatie achterhouden uit vrees voor openbaarmaking van gegevens na hun overlijden.

De rechtbank volgt het betoog van de instelling en oordeelt dat een veronderstelde toestemming in dit geval niet mag worden aangenomen. De dochter had in de fase dat zij in behandeling was bij de instelling meermalen uitdrukkelijk aan haar behandelend psychiater te kennen gegeven dat zij niet wilde dat haar ouders bij de behandeling betrokken zouden worden. Dit impliceert volgens de rechtbank dat hen ook geen inzage in het dossier mocht worden gegeven. Vanwege het recht op privacy van de betrokken patiënte en de algemene belangen die zijn betrokken bij het medisch beroepsgeheim, ligt de drempel voor het achteraf aannemen van toestemming hoog. Anders dan de goede band tussen ouders en dochter zijn geen feiten of omstandigheden gebleken waaruit een veronderstelde toestemming zou volgen.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat zelfs indien veronderstelde toestemming wél zou moeten worden aangenomen, dit niet zonder meer met meebrengt dat daarmee een zelfstandig recht op inzage is gegeven. In het algemeen wordt aangenomen dat ouders geen zelfstandig recht op inzage hebben in het medisch dossier van hun meerjarig kind. Dat inzage (juridisch) onder omstandigheden mag, wil volgens de rechtbank niet zeggen dat het (juridisch) moet. De vordering van de ouders is afgewezen.

In april 2016 is een voorstel tot wijziging van de WGBO gepubliceerd. In dit wetsvoorstel worden onder andere concrete grondslagen geïntroduceerd voor doorbreking van het beroepsgeheim na het overlijden van de patiënt. Toepassing van het wetsvoorstel in bovenstaande zaak zou in ieder geval een ander afwegingskader door de rechter met zich meebrengen, en mogelijk ook een andere uitkomst.

Meer weten over inzage in medische dossiers en het medisch beroepsgeheim? Neem contact op met Marg Janssen of Lars Leemeijer.

Contact