Wettelijk adviesrecht ondernemingsraad ook van toepassing bij doorstart na faillissement

13-06-2017

Op 2 juni jl. heeft de Hoge Raad een belangrijk arrest gewezen omtrent de vraag naar de reikwijdte van het adviesrecht van de ondernemingsraad ingeval van faillissement. In dit arrest heeft de Hoge Raad beslist dat het wettelijke adviesrecht van een ondernemingsraad onder omstandigheden ook geldt in faillissementssituaties. Met deze uitspraak zet de Hoge Raad de vorig jaar gegeven beschikking van de Ondernemingskamer opzij, waarin het adviesrecht van de ondernemingsraad in beginsel onverenigbaar werd geacht met de op liquidatie gerichte rol van de curator.

De zaak in kwestie was aanhangig gemaakt door de vakbonden FNV en CNV, namens de ondernemingsraad van een failliet verklaarde drogisterijketen. Tot dusver bestond er onzekerheid over de toepasselijkheid van het adviesrecht bij een (gedeeltelijke) voorzetting of doorstart van de onderneming na faillissement, waarbij het vooruitzicht bestaat op behoud van arbeidsplaatsen. Die onzekerheid is nu door de Hoge Raad weggenomen.

Wettelijk adviesrecht ondernemingsraad

Een ondernemingsraad beschermt de belangen van de werknemers en geeft de werknemers inspraak binnen de organisatie. Dit wordt onder meer ingevuld door het adviesrecht van artikel 25 Wet op de Ondernemingsraden (WOR). Op grond van dit artikel is de ondernemer verplicht de ondernemingsraad om advies te vragen aangaande belangrijke besluiten van financiële, economische en/of organisatorische aard. Hieronder vallen bijvoorbeeld besluiten tot overdracht van zeggenschap, inkrimping van de werkzaamheden en verplaatsing van de arbeidslocatie.    

Wettelijk adviesrecht ondernemingsraad in faillissement

In cassatie stond centraal de vraag naar de toepassing en reikwijdte van het adviesrecht tijdens het faillissement van een onderneming. Blijkens de Hoge Raad leidt een faillissement er op zichzelf niet toe dat een onderneming ophoudt te bestaan of niet langer in stand wordt gehouden. Tijdens het faillissement oefent de curator, binnen de grenzen van het faillissementsrecht, de bevoegdheden van de ondernemer uit. Als zodanig is de curator op één lijn te stellen met de ondernemer in de zin van de WOR. In deze hoedanigheid is de curator, behoudens hetgeen hierna wordt besproken, in faillissement gehouden toe te zien op de naleving van de WOR, aldus de Hoge Raad.

Hiermee bevestigt de Hoge Raad dat het adviesrecht van artikel 25 WOR tevens toepassing vindt tijdens faillissement. Dit uitgangspunt wordt door de Hoge Raad als volgt ingevuld, dan wel beperkt:

-         Het aan de ondernemingsraad toekomende adviesrecht van artikel 25 WOR ziet in beginsel niet op besluiten tot verkoop van goederen en ontslag van werknemers. Hetzelfde geldt indien een dergelijk besluit leidt tot beëindiging van de onderneming, nu de handelingen van de curator dan slechts zijn gericht op liquidatie van het vermogen. In een dergelijk geval gaan de belangen van de schuldeisers bij een voortvarende afwikkeling van het faillissement voor op de door het adviesrecht van artikel 25 WOR beschermde belangen.

-         Daarentegen is een besluit tot verkoop in het kader van een voortzetting of doorstart van de onderneming wel adviesplichtig op grond van artikel 25 WOR. In dit specifieke geval zijn de handelingen van de curator, naast liquidatie, tevens gericht op (gedeeltelijk) behoud van de onderneming.

-         Tot slot stelt de Hoge Raad dat de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens de WOR, niet in alle gevallen verenigbaar zijn met het faillissement van een onderneming. Zodoende is het de curator toegestaan om af te wijken van de in het kader van het adviesrecht gestelde formele eisen, waaronder termijnen en administratieve voorschriften, zoals neergelegd in artikel 25 lid 2 t/m 6 WOR.

Meer informatie?

Voor informatie kunt u contact opnemen met Jelmer Baukema of Anouk Kruijdenberg.

Contact