Waarmee kunnen wij u helpen?

    De sleutelfuncties onder IORP II

    IOPR II introduceert drie sleutelfuncties. Een sleutelfunctie is een bekwaamheid om bepaalde governancetaken uit te voeren.

    Drie sleutelfuncties

    IORP II schijft voort dat pensioenfondsen en andere pensioeninstellingen moeten beschikken over drie sleutelfuncties: een risicobeheerfunctie, een interne auditfunctie en, in de meeste gevallen ook, een actuariële functie.

    Klik hier voor het artikel waar we dieper ingaan op de kenmerken van de drie sleutelfuncties.

    Wie mogen de sleutelfuncties vervullen?

    De vereisten waaraan pensioenfondsen moeten voldoen op het terrein van de sleutelfuncties worden vastgelegd in artikel 143a Pensioenwet. De wet maakt onderscheid tussen "houders" van sleutelfuncties en meer in algemene zin "vervullers" van die sleutelfuncties. Een ieder die een sleutelfunctie uitvoert moet voldoen aan geschiktheids en betrouwbaarheidsvoorschriften. Combineren van sleutelfuncties mag soms, maar niet altijd. Uitbesteding van sleutelfuncties is mogelijk.

    Lees in dit artikel meer over wie de IORP II-sleutelfuncties mogen vervullen, combineren van sleutelfuncties en uitbesteding.

    Onafhankelijkheid en proportionaliteit

    Zij die de sleutelfuncties vervullen moeten dat onafhankelijk kunnen doen. De wet borgt dat onder andere door het bieden van bijzondere rechtsbescherming aan de houders van een sleutelfunctie. Dat mede vanwege de rapportage- en meldplichten die de houder van een sleutelfunctie heeft.

    In dit artikel bespreken we onafhankelijkheid, rapportage- en meldplichten en rechtsbescherming.

    Proportionaliteit

    De exacte invulling van de sleutelfuncties wordt in de praktijk afhankelijk gemaakt van de omvang van het fonds. Bij grotere of meer complexere fondsen, kan het betekenen dat er meer eisen worden gesteld aan de invulling van een sleutelfunctie, dan bij kleinere of meer simpele fondsen. DNB hanteert als maatstaf een zogenaamde "proportionaliteitsladder" bij de nadere concretisering van de eisen die worden gesteld aan sleutelfuncties.

    Factoren die bij de beoordeling van de complexiteit van een fonds kunnen meewegen zijn: omvang van het beheerd vermogen, omvang van de deelnemerspopulatie, type pensioeninstelling, wel/niet in liquidatie, open/gesloten fonds, herverzekerd fonds, hoogte VEV, complexiteit van de beleggingen, dynamisch beleid, betrokkenheid van een fiduciair manager, weinig of juist veel aangesloten werkgevers, bij een APF: het aantal kringen, bij een APF en PPI: uitbesteding aan een oprichter, aantal (overgangs)regelingen, aard van de regelingen, aantal uitvoerders, eigen beheer, handwerk in de pensioenadministratie, omvang van het bestuur en het al dan niet beschikken over een eigen bestuursbureau.

    Om deze veelheid aan factoren wat meer richting te geven, hanteert DNB uitgangspunten die uitgaan van een meer versimpeld onderscheid (de "proportionaliteitsladder"). DNB maakt bij de eisen gesteld aan sleutelfuncties onderscheid tussen:

    • T2(a) fondsen: OPF-en en beroepspensioenfondsen met een beheerd vermogen van minder dan EUR 1 miljard
    • T2(b) fondsen: OPF-en en beroepspensioenfondsen met een beheerd vermogen van meer dan EUR 1 miljard en BPF-en
    • T3(a) fondsen: OPF-en en beroepspensioenfondsen met een beheerd vermogen van meer dan EUR 5 miljard
    • T3(b) fondsen: BPF-en met een beheerd vermogen van meer dan EUR 5 miljard
    • T4 fondsen: de vijf grootste Nederlandse pensioenfondsen