Waarmee kunnen wij u helpen?

    Nieuws

    Wet Bestuur en Toezicht: gevolgen voor pensioenfondsen, bestuurders en toezichthouders

  • NL
  • In juni 2016 heeft de Minister het wetsvoorstel bestuur en toezicht rechtspersonen ("Wetsvoorstel") aan de Tweede Kamer toegestuurd. Zoals wij in juni al op de website vermeldden, voorziet het Wetsvoorstel in een aantal belangrijke wijzigingen voor alle stichtingen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen. Door een aantal wetsartikelen dat nu alleen van toepassing is op de BV en de NV te 'verplaatsen' naar het algemene gedeelte van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, worden diverse regelingen ook van toepassing op de voornoemde rechtspersonen.

    Hier gaan wij specifiek in op de gevolgen voor pensioenfondsen. Pensioenfondsen zijn - op een heel enkele uitzondering na - een stichting en vallen daarmee onder Boek 2 BW. De Pensioenwet en aanverwante regelgeving voorzien al in veel bijzondere bepalingen die niet voor andere stichtingen gelden. Deze specifieke wet- en regelgeving leidt er toe dat het Wetsvoorstel slechts beperkte gevolgen zal hebben binnen de pensioensector.

    Hieronder bespreken wij de belangrijkste wijzigingen die voortvloeien uit het Wetsvoorstel en beschrijven wij welke impact deze wijzigingen hebben op pensioenfondsen. Die impact is beperkt. Voornaamste aandachtspunt is de tegenstrijdig belang regeling die we hieronder als laatste bespreken.

    Wettelijke grondslag raad van commissarissen

    Het Wetsvoorstel creëert een expliciete wettelijke grondslag voor het instellen van een raad van commissarissen. Deze algemene wettelijke regeling ontbreekt nu nog voor stichtingen. Maar de Pensioenwet verplicht al tot het instellen van een toezichthoudend orgaan in de vorm van een raad van toezicht of visitatiecommissie, of benoeming van niet-uitvoerende bestuurders in een gemengd bestuur. Denkbaar is dat raden van toezicht zich omdopen tot raden van commissarissen. Maar inhoudelijk verandert er door het voorstel niets.

    Wettelijke grondslag voor one-tier board

    De mogelijkheid tot het instellen van een bestuur waar uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders tezamen één orgaan vormen wordt expliciet opgenomen in het algemene deel van Boek 2 BW. De Pensioenwet biedt deze basis al sinds de invoering van de Wet versterking Bestuur Pensioenfondsen waarbij het gemengde model werd geïntroduceerd. Ook hier dus niets nieuws onder de zon.

    Verruiming ontslagmogelijkheid bestuurders en commissarissen van stichting

    Het Wetsvoorstel bevat een verruiming van de regeling voor het ontslag van een stichtingsbestuurder door de rechter. De rechter kan een bestuurder ontslaan wegens (i) verwaarlozing van zijn taak, (ii) wegens andere gewichtige redenen, (iii) wegens ingrijpende wijziging van omstandigheden op grond waarvan het voortduren van bestuurderschap in redelijkheid niet kan worden gevergd en (iv) wegens het niet of niet behoorlijk voldoen aan een bevel van de voorzieningenrechter. Eenzelfde regeling geldt voor commissarissen. Deze ontslagmogelijkheid komt bovenop de bestaande en in de statuten beschreven ontslagmogelijkheden van bestuurders en commissarissen. Wij verwachten dat bij pensioenfondsen de gevolgen van de verruiming van de ontslagmogelijkheid beperkt zullen zijn, doordat ingrijpen van toezichthouders en stakeholders een dergelijke gerechtelijke procedure doorgaans zal voorkomen.

    Taakvervulling bestuurders en commissarissen

    Het Wetsvoorstel schrijft voor dat bestuurders en commissarissen van alle rechtspersonen zich bij de vervulling van hun taak richten naar het belang van de rechtspersoon en de daaraan verbonden onderneming of organisatie. Deze taakstelling is in de wet al opgenomen voor BV's en NV's. Artikel 105 lid 2 van de Pensioenwet bevat een andere norm en bepaalt dat (mede)beleidsbepalers zich moeten richten naar de belangen van de bij het pensioenfonds betrokken (gewezen) deelnemers, andere aanspraakgerechtigden, pensioengerechtigden en de werkgever. Wij menen dat voor zover de algemene norm uit Boek 2 BW en de sectorspecifieke norm uit de Pensioenwet strijdig zijn, de norm uit de Pensioenwet voorgaat. Dit is echter wel een punt dat in de bestuurskamers helder gemaakt moet worden als het voorstel wet wordt.

    Uniformering tegenstrijdig-belangregeling

    Op dit moment houdt de tegenstrijdig belang regeling voor BV's en NV's – kort gezegd – in dat bestuurders (en commissarissen) zich onthouden van de besluitvorming en beraadslaging indien sprake is van een tegenstrijdig belang. De betreffende bestuurder (en commissaris) moet dus de vergadering verlaten. Een tegenstrijdig belang wordt geacht aanwezig te zijn als de betrokken bestuurder (of commissaris) niet in staat moet worden geacht om het belang van de vennootschap en de daarmee verbonden onderneming te bewaken op een wijze die van een integer en onbevooroordeeld bestuurder (of commissaris) mag worden verwacht. Uit jurisprudentie volgt dat zolang er parallelle belangen bestaan die niet tegenstrijdig zijn, er geen sprake is van een tegenstrijdig belang in de zin van het Wetsvoorstel.

    De vertegenwoordigingsbevoegdheid wordt niet aangetast: een bestuurder met een tegenstrijdig belang kan na besluitvorming door de andere bestuurders dus wel overeenkomsten aangaan met derden. Voor de stichting ontbreekt nu nog een algemene wettelijke regeling.

    Het Wetsvoorstel beoogt de tegenstrijdig-belangregeling zoals die nu geldt voor de BV en de NV van toepassing te verklaren op alle rechtspersonen. Dus ook bij stichtingen geldt straks de genoemde regel omtrent beraadslaging en besluitvorming. Gevolg is dat indien bij een stichting alle bestuurders een tegenstrijdig belang hebben, het toezichthoudende orgaan het besluit neemt. Bestaat die niet dan nemen de bestuurders met een tegenstijdig belang alsnog het besluit en legt het bestuur de overwegingen die ten grondslag liggen aan het besluit schriftelijk vast.

    Op basis van de Code Pensioenfondsen en artikel 20 van het Besluit FTK gelden voor pensioenfondsen al enige jaren regels omtrent integer handelen en voorkomen van belangenverstrengeling. Bovenstaande regeling is echter nieuw voor pensioenfondsen. Direct springt natuurlijk in het oog dat bestuurders van pensioenfondsen met een paritair bestuursmodel altijd in zekere zin vertegenwoordiger zijn van een bepaalde groep. Daardoor rijst de vraag of een tegenstrijdig belang onder de nieuwe regeling sneller dan voorheen aangenomen zal moeten worden.

    De toelichting op het Wetsvoorstel besteedt geen specifieke aandacht aan paritaire besturen, terwijl een tegenstrijdig belang bij een paritair eerder een rol kan spelen. Wij veronderstellen dat de tegenstrijdig-belangregeling uit het Wetsvoorstel voor een verandering aan de bestuurstafels gaat zorgen. In elk geval dienen pensioenfondsbestuurders zich bewust te zijn van de nieuwe regeling en moeten zij zich onthouden van beraadslaging en besluitvorming in geval van een tegenstrijdig belang.

    Overigens zullen zowel een raad van toezicht als een visitatiecommissie vermoedelijk kwalificeren als equivalent van de raad van commissarissen.

    Het Wetsvoorstel leidt dus tot een wijziging van de vergaderorde voor zover pensioenfondsen de huidige NV en BV-regeling nog niet op vrijwillige basis toepassen.

    Tot slot

    Wij concluderen dat het Wetsvoorstel weliswaar veel veranderingen teweegbrengt in Boek 2 BW, maar dat de feitelijke gevolgen voor pensioenfondsen beperkt zijn. Dit komt doordat de wijzigingen in het Wetsvoorstel met name vastlegging zijn van bestaande praktijk en doordat de wetgever in de Pensioenwet al veel van de in het voorstel geadresseerde onderwerpen heeft vastgelegd. De enige uitzondering hierop is de tegenstrijdig-belangregeling: op dit gebied zijn wel wijzigingen te verwachten, met uitzondering van de fondsen die de nieuwe regeling al vrijwillig toepassen.

    Uiterlijk 8 september moet de Tweede Kamer haar vragen indienen bij de Minister, waarna de Minister met een reactie zal komen. Indien zowel de Eerste als de Tweede Kamer de vaart er in houden, kan het Wetsvoorstel per 1 januari 2017 in werking treden.