Waarmee kunnen wij u helpen?

    Artikel

    Noot: Toch adviesrecht OR bij vertrek bestuurder met wederzijds goedvinden?

    De OK achtte in de Eneco-zaak het OR adviesrecht ex. art. 30 WOR van toepassing in een situatie waarin een bestuurder met wederzijds goedvinden uit dienst trad. Deze opzienbarende uitspraak staat haaks op de huidige praktijk bij bestuurdersontslagen. Moet de praktijk op de schop? Steven Sterk bespreekt dit in zijn JAR noot bij deze uitspraak.

    Noot

    De OR heeft de Ondernemingskamer (hierna: “OK”) verzocht een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken bij Eneco, in het bijzonder naar (i) de aanloop naar het voornemen van het merendeel van de aandeelhouders om het vertrouwen in de RvC op te zeggen, (ii) het handelen van de RvC en de aandeelhouderscommissie (hierna: “AHC”) bij de mediation, (iii) het handelen van de RvC bij het vertrek van de voorzitter van de RvB, en (iv) het handelen van de RvC bij de (voorgenomen) benoeming van de nieuwe voorzitter van de RvB. Tevens verzoekt de OR bij onmiddellijke voorziening drie commissarissen te schorsen en twee commissarissen met doorslaggevende stem te benoemen. De OR legt aan zijn verzoek onder meer ten grondslag dat de AHC welbewust de verhoudingen op scherp heeft gezet om haar doel – absolute zeggenschap over het verkoopproces – te bereiken en dat de RvC te weinig weerstand heeft geboden.

    De OK overweegt dat de omstandigheid dat de tussen partijen voorafgaand aan de start van het privatiseringstraject overeengekomen samenwerking niet tot stand is gekomen en dat de AHC en de werkgever in toenemende mate tegenover elkaar zijn komen te staan, op zichzelf reeds een gegronde reden is om aan een juist beleid te twijfelen. In plaats van constructieve samenwerking is bij verschil van opvatting telkens gekozen voor escalatie en eenzijdige stappen, welk proces uiteindelijk leidde tot het opzeggen van het vertrouwen in de RvC door een meerderheid van de aandeelhouders. Daarnaast ontbrak een daadwerkelijke samenwerking tussen de AHC en de werkgever bij de mediation. Ook moet ernstig worden betwijfeld of de RvC een zorgvuldig medezeggenschapstraject heeft gevolgd ten aanzien van het vertrek van de voorzitter van de RvB en het aanstellen van een nieuwe voorzitter. Het maken van afspraken over een vertrekregeling vertoont een zo grote gelijkenis met een voorgenomen besluit tot ontslag als bedoeld in art. 30 WOR dat het daarmee op één lijn moet worden gesteld. Een andere opvatting zou ertoe leiden dat het adviesrecht van de OR in wezenlijke mate wordt uitgehold. Immers, ingeval de bestuurder niet langer het vertrouwen heeft van de RvC, leidt dit onherroepelijk tot het vertrek van de bestuurder, ook zonder dat de RvC een formeel ontslagbesluit neemt. Het enquêteverzoek wordt toegewezen. Voorts wordt één commissaris geschorst, gelet op zijn prominente rol bij de vier onderwerpen. 

    NB. De OR heeft ook adviesrecht ten aanzien van de benoeming van een interim-bestuurder («JAR» 2016/222) en de schorsing van een bestuurder («JAR» 2016/9). Het moet gaan om een bestuurder in de zin van de WOR, dus degene die, alleen of met anderen, rechtstreeks de hoogste zeggenschap uitoefent bij de leiding van de arbeid (art. 1 lid 1 sub e WOR). Ontslagname door de bestuurder of beëindiging met wederzijds goedvinden valt niet onder art. 30 WOR, maar daarvan was in deze zaak geen sprake.