Waar kunnen we u mee helpen?

    Artikel

    Komt de pandhouder bij het faillissement van de pandgever een beroep op art. 6:136 BW toe wanneer de debiteur van de verpande vordering zich beroept op verrekening?

    Wenk Rechtspraak Contractenrecht 2018/10

    In deze procedure wordt Artis als debiteur door Parallel Groep als pandhouder aangesproken tot betaling van vorderingen van het gefailleerde EnergiQ, de pandgever, op Artis. Laatstgenoemde meent echter tegenvorderingen op EnergiQ te hebben en beroept zich op verrekening. Art. 6:136 BW kent aan de rechter evenwel de bevoegdheid toe om een vordering, ondanks een beroep van de gedaagde op verrekening, toch toe te wijzen indien de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en de vordering overigens voor toewijzing vatbaar is. Art. 53 lid 3 Fw bepaalt echter dat in faillissement de curator geen beroep kan doen op art. 6:136 BW. Als Artis dus door de curator tot betaling zou zijn aangesproken, zou art. 6:136 BW niet van toepassing zijn. Is dat ook het geval als niet de curator, maar de pandhouder Artis aanspreekt? De Hoge Raad werpt Artis in dit arrest ‘niet voor de leeuwen’: hij oordeelt dat ook de pandhouder geen beroep op art. 6:136 BW kan doen in geval van faillissement van de pandgever. Dat is in lijn met eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad.

    De Hoge Raad heeft in het arrest van 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7535 (zie onder ‘Zie ook’), geoordeeld dat aan art. 53 lid 3 Fw niet de gedachte ten grondslag ligt dat uitsluitend aan de curator geen beroep toekomt op art. 6:136 BW, maar dat art. 53 lid 3 Fw ertoe strekt buiten twijfel te stellen dat art. 6:136 BW – in afwijking van de regeling inzake de verrekening buiten faillissement – in faillissement niet van toepassing is. In dat arrest oordeelde de Hoge Raad dat indien de curator een tot de boedel behorende vordering cedeert aan een derde, het aan art. 6:145 BW ten grondslag liggende beginsel meebrengt, mede gelet op de gedachte waarop art. 53 lid 1 Fw is gebaseerd – namelijk dat iedere schuldeiser van de boedel zijn schuld aan de boedel als 'onderpand' mag beschouwen voor de betaling van zijn vordering – dat art. 53 lid 3 Fw van overeenkomstige toepassing moet worden geacht. De Hoge Raad heeft op vergelijkbare gronden geoordeeld (HR 18 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT9061, en bevestigd in HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7391, zie onder ‘Zie ook’) dat in geval van het faillissement van de pandgever de debiteur van de verpande vordering zijn tegenvordering kan verrekenen met overeenkomstige toepassing van art. 53 lid 3 Fw, zonder dat de pandhouder een beroep toekomt op art. 6:136 BW.

    Ook in een dergelijk geval heeft de debiteur van de verpande vordering belang erbij zijn schuld aan de boedel als 'onderpand' te kunnen beschouwen voor de betaling van zijn tegenvordering, terwijl de debiteur van de verpande vordering – evenals de debiteur van de gecedeerde vordering – de bescherming geniet van het in art. 6:145 BW neergelegde beginsel dat de overgang van een vordering de verweermiddelen van de schuldenaar onverlet laat.

    Het onderhavige arrest is in lijn met de eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad. Dit arrest doet recht aan de positie van de debiteur, aangezien diens positie aanzienlijk zou verslechteren als de pandhouder wél een beroep op art. 6:136 BW zou kunnen doen in geval van faillissement van de pandgever. Het zou dan voor de debiteur van groot belang zijn of hij door de curator tot betaling wordt aangesproken, of door de pandhouder. In het laatste geval kan de debiteur nog niet vaststaande tegenvorderingen niet zonder meer met zijn schuld aan de gefailleerde verrekenen.

    Debiteuren zouden er dan bij gebaat zijn altijd een (goederenrechtelijk) verpandingsverbod in hun overeenkomsten op te nemen, wat gevolgen kan hebben voor de financierbaarheid van ondernemingen. Dat is thans niet nodig, althans niet met het oog op art. 6:136 BW. Pandhouders dienen zich er wel van bewust te zijn – voor zover zij daar niet al vanuit gingen – dat ook hen jegens de debiteur geen beroep op art. 6:136 BW toekomt.

    Via deze link kunt u de volledige publicatie lezen.