Waarmee kunnen wij u helpen?

    Blog

    Camerabeelden van een wachtruimte en medisch verschoningsrecht

    De Hoge Raad ging in zijn arrest van 10 april 2018 in op de vraag of camerabeelden van een wachtruimte in en de toegangspaden tot een ziekenhuis vallen onder het verschoningsrecht.

    Het slachtoffer van een mishandeling meent in de wachtruimte van het ziekenhuis de dader te hebben herkend, waarna de officier van justitie de camerabeelden van het ziekenhuis vordert om de identiteit van de man te achterhalen. Vervolgens klaagt het ziekenhuis tegen de inbeslagname van de beelden met een beroep op haar medisch verschoningsrecht. De basis hiervan is immers dat iedere patiënt zich vrijuit en zonder vrees voor de openbaarmaking van toevertrouwde gegevens moet kunnen wenden tot een arts.

    Eerder oordeelde de rechtbank dat de camerabeelden niet onder het verschoningsrecht vallen vanwege een tweetal redenen. Ten eerste vanwege het feit dat op de beelden niet alleen patiënten, maar ook bezoekers en begeleiders te zien zijn. Het zou hierdoor niet mogelijk zijn om vast te stellen wie de patiënt is. Ten tweede omdat de beelden in een openbare ruimte zijn gemaakt, waardoor iedere aanwezige hetzelfde kon waarnemen als op de beelden staat. Advocaat-generaal Knigge en de Hoge Raad gaan hier echter niet in mee. 

    Knigge concludeert dat het argument van de rechtbank dat niet vastgesteld kan worden wie patiënt is niet altijd opgaat. Bovendien, zo overwegen zowel Knigge als de Hoge Raad, staan er in elk geval óók patiënten op de beelden. Hun identiteit of het bestaan van een hulpverleningsrelatie kan afgeleid worden van de beelden, en daarom vallen de beelden onder het verschoningsrecht. Dat hierop ook bezoekers en begeleiders te zien zijn en dat deze in een openbare ruimte gemaakt zijn, doet daar niet aan af. 

    De Hoge Raad overweegt dus dat het medisch verschoningsrecht niet alleen betrekking heeft op medische gegevens, maar ook op camerabeelden van toegangspaden tot en wachtruimtes in een ziekenhuis.

    Geschreven door Marenna van Wijk en Rutger ten Ham.