Waar kunnen we u mee helpen?

    Nieuws

    Beroep Nederlandse zeehavens tot gelijktrekken speelveld verworpen

    In beroep voerden de Nederlandse zeehavens aan dat de Europese Commissie gelijktijdig had moeten optreden tegen de belastingvrijstellingen van álle Europese zeehavens om zodoende een gelijk speelveld te creëren. Het Europese Gerecht verwerpt dit beroep. Dit jaar zijn de Belgische en Franse zeehavens nog vrijgesteld van vennootschapsbelasting, omdat de Europese Commissie hier pas later tegen is opgetreden. Omdat de Nederlandse zeehavens al sinds 2017 belastingplichtig zijn, kan dit nadelig zijn voor de concurrentiepositie van de Nederlandse zeehavens.

    Op 21 januari 2016 besloot de Europese Commissie dat de Nederlandse vrijstelling van de vennootschapsbelasting voor de economische activiteiten van de Nederlandse zeehavens onverenigbare staatssteun uitmaakt. Ruim een jaar later oordeelde de Commissie dat ook België en Frankrijk een einde moesten maken aan hun vrijstellingen van bepaalde zee- en binnenhavens voor de toepassing van respectievelijk de Belgische en de Franse vennootschapsbelasting. Voor de Duitse havens kwam er geen besluit.

    De zaak

    Het beroep van de Nederlandse zeehavens richt zich niet tot de kwalificatie van staatssteun als zodanig. De Nederlandse zeehavens proberen het speelveld gelijk te trekken door te betogen dat in ieder geval een overgangsperiode zou moeten worden gehanteerd, zodat zij op hetzelfde moment belastingplichtig zouden worden als de Belgische en Franse zeehavens.

    Het Europese Gerecht maakt korte metten met deze argumentatie. De Europese Commissie was niet verplicht te wachten tot de onderzoeken naar belastingvrijstellingen van havens in andere lidstaten waren afgerond. Dit zou nadelig zijn voor Europese zeehavens die überhaupt niet zijn vrijgesteld van belasting.

    Al in 2004 startte de Europese Commissie een onderzoek naar de Nederlandse belastingvrijstelling in kwestie. De procedure bevond zich daardoor reeds in een zeer vergevorderd stadium. Ter vergelijking: de onderzoeken toeziend op de Duitse, Belgische en Franse belastingvrijstellingen gingen pas tien jaar later van start en zagen op een ander feitencomplex. Het is volgens het Europese Gerecht dan ook begrijpelijk dat de Europese Commissie haar onderzoek naar de Nederlandse havens als eerste afsloot. 

    Analyse

    De uitspraak verrast niet. Tegelijkertijd leidt de uitspraak niet tot een gelijk speelveld, omdat:

    • een gelijk Europees fiscaal speelveld op dit moment niet bestaat. Alhoewel belastingvrijstellingen via staatssteun kunnen worden rechtgetrokken, zijn lidstaten alsnog bevoegd hun eigen belastingregime te hanteren (voor zover de toepassing daarvan geen selectief voordeel met zich brengt).
    • de toepassing van de staatssteunregels slechts is gericht op de interne situatie van een lidstaat. Via de toepassing van de staatssteunregels wordt vooral het speelveld in Nederland gelijkgetrokken. De Nederlandse zeehavens moeten nu, net als andere Nederlandse ondernemingen, vennootschapsbelasting afdragen. Aangezien de Nederlandse zeehavens evenwel met Europese havens (en vooral die van Duitsland, België en Frankrijk) concurreren, draagt dit niet bij tot een gelijker Europees speelveld.
    • de timing van het besluit ongelukkig is, in die zin dat de directe concurrenten van de Nederlandse zeehavens een jaar langer zijn vrijgesteld van belasting. Dit neemt niet weg dat het speelveld gelijker zal worden als de Belgische en Franse zeehavens vanaf 2018 ook belasting zullen moeten afdragen.

    Klik hier voor de uitspraak van het Europese Gerecht van 31 mei.

    Zie voor meer informatie ook het artikel dat wij publiceerden over staatssteun in de havensector.