Waar kunnen we u mee helpen?

    Nieuws

    Zwitserse horlogemakers krijgen gelijk van Europees Gerecht

    Meer mogelijkheden om je product te beschermen?

    Stel, je koopt of krijgt een prachtig (duur) Zwitsers horloge, zeg een Rolex. Na verloop van tijd loopt het klokje niet meer zo lekker en wil je deze laten controleren en repareren. Grote kans dat dit niet mogelijk is bij de horlogemaker bij jou om de hoek. Deze plaatselijke horlogemaker is namelijk hoogstwaarschijnlijk niet opgenomen in het “selectieve reparatiestelsel” van Rolex en kan daardoor niet aan onderdelen komen om het horloge te kunnen repareren. In plaats daarvan moet het horloge opgestuurd worden naar Zwitserland, met alle (extra) kosten van dien. Volgens de Conféderation européenne des assocations d’horlogers-réparateurs (CEAHR) zijn deze selectieve reparatiestelsels – die niet alleen door Rolex, maar ook door andere luxe Zwitserse horlogemerken (zoals Audemars Piguet en Patek Philippe) worden gehanteerd – in strijd met de Europese mededingingsregels. Volgens CEAHR maken de horlogemakers misbruik van hun machtspositie

    CEAHR heeft hierover al in 2004 een klacht ingediend bij de Europese Commissie. De Commissie wees de klacht in eerste instantie af vanwege een gebrek aan belang voor de Europese Unie. Het Gerecht van de Europese Unie vernietigde dit besluit van de Commissie, overwegende dat de Commissie ten onrechte niet alle relevante (juridische) feiten en omstandigheden in haar beoordeling had meegenomen. Vervolgens heeft de Commissie de klacht verder onderzocht. Bij besluit van 29 juli 2014 heeft de Commissie de klacht echter wederom afgewezen. De Commissie achtte het onwaarschijnlijk dat zij na een meer diepgaand onderzoek een inbreuk op artikel 101 en/of 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) zou vaststellen. Tegen dit besluit heeft de CEAHR weer beroep in gesteld. Deze keer heeft het Gerecht de Commissie in het gelijk gesteld. In de uitspraak van 23 oktober 2017 oordeelt het Gerecht dat de Commissie terecht vond dat de handelwijze van de Zwitserse horlogemakers niet in strijd is met de Europese mededingingsregels.

    Selectieve reparatiestelsels

    Een aantal Zwitserse (luxe) horlogemakers weigert om onderdelen van hun horloges te leveren aan zelfstandige horlogereparateurs. Zij repareren de horloges zelf en hanteren daarnaast een “selectief reparatiestelsel” waarbinnen alleen reparateurs worden toegelaten die aan bepaalde (strenge) kwalitatieve criteria voldoen. Deze criteria zien onder andere op opleiding, ervaring, gereedschappen en geschiktheid van de bedrijfsruimte. De precieze voorwaarden variëren vaak per horlogemerk. Eenmaal toegelaten tot een selectief reparatiestelsel krijgen geautoriseerde reparateurs wél reserveonderdelen geleverd en mogen en kunnen zij de betreffende horloges repareren.

    Strijd met artikel 102 VWEU – misbruik van machtspositie?

    De Commissie sluit niet uit dat de Zwitserse horlogemakers een dominante positie hebben op de markt voor reparatieservices en op de markt voor het leveren van reserveonderdelen, gelet op de substantiële investeringen die noodzakelijk zijn om die markten te kunnen betreden. Omdat de horlogemakers in hun selectieve reparatiestelsels ook onafhankelijke reparateurs toelaten die voldoen aan genoemde objectieve kwalitatieve criteria, kan niet worden geconcludeerd dat de horlogemakers deze markten exclusief voor henzelf houden. Concurrentie blijft bestaan onder geautoriseerde reparateurs, zeker waar die reparateurs in staat zijn om horloges van verschillende merken te repareren. De weigering om reserveonderdelen te leveren vormt volgens de Commissie dan ook geen misbruik. Het Gerecht kan de Commissie hierin volgen.

    Strijd met artikel 101 VWEU – overtreding van het kartelverbod?

    Het Gerecht bevestigt dat een selectief distributiestelsel – en naar analogie een selectief reparatiestelsel – niet in strijd is met artikel 101 VWEU indien dit stelsel objectief gerechtvaardigd, niet-discriminatoir en proportioneel is. Het Gerecht benadrukt dat het in stand houden van een prestigieus imago geen rechtvaardiging kan zijn voor het in stand houden van een selectief reparatiestelsel. Het doel om de kwaliteit van de producten en het juiste gebruik ervan te verzekeren en het doel om illegale namaak tegen te gaan vormen echter wél legitieme rechtvaardigingsgronden voor de selectieve reparatiestelsels. Volgens het Gerecht heeft de Commissie bovendien voldoende onderzocht of de stelsels in kwestie daadwerkelijk in staat zijn, en niet verder gaan dan noodzakelijk, om genoemde doelen te bereiken.

    Opvallend

    CEAHR had nog aangedragen dat een vergelijking gemaakt moet worden met de motorvoertuigensector. In die sector worden beperkingen om reserveonderdelen aan onafhankelijke reparateurs te verkopen beschouwd als “hardcore beperkingen” (waarop de groepsvrijstelling niet van toepassing is). Volgens de Commissie kan die vergelijking niet gemaakt worden gelet op de volgende onderscheidende factoren: (i) de motorvoertuigensector is onderworpen aan specifieke regelgeving, (ii) reserve-onderdelen kunnen in de motorvoertuigensector direct aan eindgebruikers worden verkocht, (iii) de after-sales services in de prestige horlogesector betreft een minder winstgevende markt en (iv) in de horlogesector is het minder belangrijk om verschillende reparatiecentra in de buurt van consumenten te hebben omdat horloges makkelijker kunnen worden verscheept voor reparatie dan motorvoertuigen. Op dit standpunt kunnen echter diverse punten van kritiek worden geuit. Uit de uitspraak blijkt bijvoorbeeld niet of daadwerkelijk is vast komen te staan dat de after-sales services in de horlogesector een minder winstgevende markt is. De vraag is ook in hoeverre dit relevant is indien de beperkingen (wellicht in mindere mate) toch tot een prijsverhoging voor consumenten leiden. Bovendien zal het verschepen naar een verre locatie in beginsel wel een prijstoename van de reparatie veroorzaken voor de consument. Ook valt niet direct in te zien waarom het feit dat er sprake is van specifieke regelgeving maakt dat een strikter regime op zijn plaats is.

    De criteria die de Zwitserse horlogemakers stellen ten aanzien van hun selectieve distributiestelsels lijken opvallend streng en zwaar te zijn. De vraag komt op of (al) deze strenge criteria daadwerkelijk noodzakelijk en proportioneel zijn om de aangedragen legitieme doelen (behoud kwaliteit, juist gebruik en tegengaan illegale namaak) te bereiken. Met name indien deze (te) strenge criteria tot gevolg hebben dat er feitelijk vrijwel geen onafhankelijke reparateurs (kunnen) toetreden tot de markt. Het is opvallend dat het Gerecht een aantal keer benadrukt dat CEAHR haar stellingen in dit verband niet heeft onderbouwd, geen bewijs heeft aangedragen of niet heeft uitgelegd. Wellicht een gemiste kans. Het is de vraag of het Gerecht een zelfde uitspraak zou hebben gedaan bij een ander (uitgebreider) feitencomplex en wellicht een betere onderbouwing. Aan de andere kant vormt deze uitspraak extra munitie voor partijen die een selectief distributiestelsel in stand (willen) houden en dit ook naar de reparatiemarkt willen trekken.

    Al met al lijkt de eerder ingezette coulante lijn met betrekking tot selectieve distributiestelsels met deze uitspraak door het Gerecht te worden doorgezet of in ieder geval te worden toegepast op selectieve reparatiestelsels. Zie in dit kader ook ons eerder artikel over de uitspraak van de rechtbank Amsterdam met betrekking tot het selectieve distributiestelsel van Nike. Een interessant punt is dat de Amsterdamse rechtbank (kort gezegd) oordeelde dat – onder verwijzing naar de conclusie van de A-G in de Coty zaak voor het Europese Hof van Justitie – het beschermen van het merkimago van Nike een legitieme rechtvaardiging vormde voor het in stand houden van het selectieve distributiestelsel van Nike. Het Gerecht oordeelt in onderhavige zaak dat het in stand houden van het prestigieuze imago van horloges géén rechtvaardiging kan zijn voor het in stand houden van een selectieve reparatiestelsels.