-   -   -   -
  Nieuwsbrief Van Doorne
 
Juni 2012 Nederlands  |  English  

Arbeidsrecht
Europees en mededingingsrecht
Fiscaal recht
Gezondheidszorg
Notariaat
Onderwijs
Overheid en Vastgoed
Proces- en Verzekeringsrecht
Van Doorne Nieuwsbrief
 

 
  Arbeidsrecht   Weigering verlenging arbeidsovereenkomst: weigering WW?  
Als een werknemer vóór 1 januari 2012 een aanbod tot verlenging van zijn arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd weigerde, bracht hij hiermee de toekenning van een WW-uitkering niet in gevaar. Per 1 januari 2012 heeft de wetgever de Werkloosheidswet gewijzigd, waardoor dit is veranderd. Vanaf 1 januari 2012 leidt een dergelijke weigering in beginsel tot (gedeeltelijke) weigering van een WW-uitkering. Uit de praktijk blijkt dat werkgevers en werknemers deze wijziging (nog) onvoldoende op het netvlies hebben.
 
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Steven Sterk, Praktijkgebied Arbeidsrecht.  

De Werkloosheidswet bepaalt dat de WW-uitkering geheel of gedeeltelijk kan worden geweigerd aan een werknemer die werkloos is of blijft doordat hij door eigen toedoen geen passende arbeid behoudt. Voor 1 januari 2012 viel het weigeren van een aanbod tot verlenging van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet onder deze weigeringsgrond. Een werknemer wiens arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigde, kon dus in beginsel een WW-uitkering verkrijgen, ongeacht of hem een verlenging van zijn arbeidsovereenkomst was aangeboden. Per 1 januari 2012 heeft de wetgever de WW gewijzigd, waardoor deze situatie veranderd is. Nu is het weigeren van een dergelijk aanbod wel verwijtbaar, zodat een werknemer op die manier zijn recht op een WW-uitkering in gevaar brengt. In principe brengt deze weigering nu een (al dan niet gedeeltelijke) weigering van de WW-uitkering mee, tenzij aan de voortzetting van de arbeidsovereenkomst zulke grote bezwaren zijn verbonden dat het verlengen van de werknemer niet kan worden gevergd. Van die laatste situatie zal echter niet snel sprake zijn. Ook voor werkgevers is deze wijziging van belang. Werkgevers hebben bij het einde van de arbeidsovereenkomst met een werknemer immers in beginsel de verantwoordelijkheid een werknemer - indien deze wellicht geen WW-uitkering zal ontvangen - te wijzen op dit risico. Ook in deze situatie zal een werkgever er op bedacht moeten zijn dat op hem een bepaalde verantwoordelijkheid kan rusten werknemers te informeren over de gevolgen van een weigering een verlenging te accepteren.

Naar boven

 
  Arbeidsrecht   Vorderingen van arbeidsongeschikte werknemers jegens de Staat  
Als gevolg van recent aangepaste vakantiewetgeving bouwen arbeidsongeschikte werknemers per 1 januari 2012 evenveel vakantiedagen op als andere werknemers. Werknemers die arbeidsongeschikt waren vóór 1 januari 2012, vissen daarmee achter het net. Uit een aantal recente uitspraken van de kantonrechter Den Haag lijkt afgeleid te kunnen worden dat werknemers die in de periode vóór 1 januari 2012 arbeidsongeschikt waren, de schade geleden als gevolg van het niet op gelijke wijze opbouwen van wettelijke vakantiedagen als andere werknemers, kunnen verhalen op de Staat.
 
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Cara Pronk, Praktijkgebied Arbeidsrecht.  

Tot 1 januari 2012 bouwden arbeidsongeschikte werknemers slechts vakantiedagen op over de laatste zes maanden van hun arbeidsongeschiktheid. Uit een uitspraak van het Europese Hof van Justitie uit 2009 werd duidelijk dat deze Nederlandse regel in strijd was met de Europese regelgeving. Arbeidsongeschikte werknemers moeten evenveel wettelijke vakantiedagen opbouwen als andere werknemers. Naar aanleiding van deze uitspraak van het Europese Hof van Justitie werd de Nederlandse vakantiewetgeving aangepast om deze in lijn te brengen met Europese regelgeving. Voor meer informatie: nieuwsbrief juni 2011.

Op grond van de nieuwe vakantiewetgeving zijn werkgevers verplicht om hun arbeidsongeschikte werknemers vanaf 1 januari 2012 evenveel vakantiedagen te laten opbouwen als andere werknemers. Voor de periode tot 1 januari 2012 bestaat die verplichting voor werkgevers niet. Nu arbeidsongeschikte werknemers zich voor de periode tot 1 januari 2012 voor een volledige opbouw van vakantiedagen niet kunnen wenden tot hun werkgever, hebben enkele werknemers die vóór 1 januari 2012 beperkt vakantiedagen opbouwden als gevolg van arbeidsongeschiktheid, de Nederlandse Staat aangesproken op de schade die daardoor door hen werd geleden. De kantonrechter Den Haag heeft in een drietal uitspraken geoordeeld dat de Nederlandse Staat al na een uitspraak van het Europese Hof van Justitie uit 2001 de Nederlandse wet aan de Europese regelgeving had moeten aanpassen. Daarom acht de kantonrechter de Staat aansprakelijk de schade, die de werknemers hadden geleden als gevolg van het te laat aanpassen van de Nederlandse wet aan de Europese regelgeving, te vergoeden. De zaak ligt nu voor in hoger beroep.
Mocht u werknemers in dienst hebben die vóór 1 januari 2012 ziek waren en onder de oude regels beperkt vakantiedagen opbouwden, dan kunt u hen wijzen op de mogelijkheid van het aanspreken van de Staat voor schade geleden als gevolg hiervan.

Naar boven

 
  Europees en mededingingsrecht     Wetsvoorstel specifieke fusietoets voor concentraties van zorgaanbieders  
Op 10 mei 2012 ontving de Tweede Kamer een wetsvoorstel tot wijziging van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg). Dit voorstel beoogt concentraties waarbij één, of meerdere zorgaanbieders betrokken zijn te onderwerpen aan een zorgspecifieke toetsing door de NZa. Buiten het bereik van de toets vallen zorgaanbieders die met minder dan 50 personen zorg doen verlenen. Het voorstel voorziet in toetsing door de NZa, voordat toetsing door de NMa plaats heeft.
 
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Diederik Schrijvershof, Praktijkgebied Europees en mededingingsrecht.  

Uit de memorie van toelichting volgt dat de NZa zich beperkt tot een procedurele toetsing om de kwaliteit en bereikbaarheid van de zorg bij concentraties te waarborgen. In dat kader wordt de zorgaanbieder geacht de melding bij de NZa vergezeld te laten gaan van een rapport over de verwachte effecten van de concentratie. Deze concentratie-effectrapportage bevat informatie over ten minste acht punten, waaronder de redenen voor concentratie, de risico’s daarvan voor de kwaliteit en bereikbaarheid van de zorg en de wijze waarop die worden ondervangen. De NZa toetst ook of betrokken (cliënten en personeel) zorgvuldig zijn geraadpleegd door de zorgaanbieder(s). De NZa besluit binnen vier weken, maar de termijn kan worden verlengd. Vervolgens heeft de NZa drie opties: i) haar goedkeuring verlenen, ii) daaraan voorwaarden, voorschriften of beperkingen verbinden, of iii) haar goedkeuring onthouden. Alleen in het laatste geval kan vervolgens niet worden gemeld bij de NMa.

Naar boven

 
  Europees en mededingingsrecht     Rechter vernietigt boetebesluit van NMa voor thuiszorginstellingen  
De Rechtbank Rotterdam heeft onlangs twee boetebesluiten van de NMa vernietigd. Het betreft besluiten waarbij de NMa hoge boetes had opgelegd aan verschillende thuiszorginstellingen.
 
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Sarah Beeston, Praktijkgebied Europees en mededingingsrecht.  

In 2008 heeft de NMa in twee verschillende zaken aan een aantal thuiszorginstellingen boetes opgelegd wegens overtreding van het kartelverbod. De NMa oordeelde dat de zorginstellingen in beide zaken marktverdelingsafspraken hadden gemaakt waardoor de onderlinge concurrentie werd beperkt. De hoogte van de opgelegde boetes varieerde van ongeveer € 600.000 tot ongeveer € 4 miljoen.

De thuiszorginstellingen hebben bezwaar aangetekend tegen de boetebesluiten. In oktober 2010 heeft de NMa, ondanks een advies van de bezwaaradviescommissie dat nader onderzoek was vereist, het bezwaar ongegrond verklaard. De instellingen hebben daarop beroep aangetekend bij de rechtbank Rotterdam.

De rechtbank Rotterdam oordeelde in beide zaken dat de NMa onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de specifieke omstandigheden van de sector en het werkgebied. Volgens de rechtbank heeft de NMa onvoldoende aangetoond dat überhaupt sprake was van concurrentie tussen de thuiszorginstellingen. Daaruit volgt dat ook onvoldoende is gebleken van een beperking van de concurrentie. De rechter heeft daarom de besluiten van de NMa vernietigd. De NMa moet nu in beide zaken binnen 12 weken een nieuw besluit nemen met inachtneming van de uitspraak van de rechter. Dat betekent dat zij in ieder geval nader onderzoek zal moeten doen. Opvallend is nog dat de rechtbank heeft overwogen dat "het door de rechtbank geconstateerde gebrek niet eenvoudig te repareren valt".

Naar boven

 
  Europees en mededingingsrecht     Eerste Kamer neemt wetsvoorstel aan tot beëindiging aanbestedingsplicht Wmo  
De Eerste Kamer heeft ingestemd met het wetsvoorstel Beëindiging verplichting tot het aanbesteden van huishoudelijke verzorging. Het wetsvoorstel strekt ertoe in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een bepaling op te nemen waarin expliciet staat dat het verlenen van huishoudelijke verzorging niet hoeft te worden aanbesteed.
 
Voor nadere informatie kunt u contact opnemen met Gijs Verberne, Praktijkgroep Europees- en Mededingingsrecht.  

Het wetsvoorstel beoogt hiermee de kwaliteit van dit type zorg te verbeteren. Concurrentie en marktwerking in de zorg gaan volgens de indiener van het wetsvoorstel, SP-lid Leijten, ten koste van de kwaliteit, scholing en arbeidsomstandigheden van het personeel. Daarnaast zou aanbesteding leiden tot concurrentie op prijs en niet tot verbetering van de prijs-kwaliteitverhouding. Het wetsvoorstel voorziet in een plicht voor gemeenten om te zorgen voor de continuïteit van de huishoudelijke zorg van een kwalitatief hoog niveau.

De tegenstemmers stellen dat het wetsvoorstel strijdig is met andere wetgeving en internationale verdragen. Uit Europese regelgeving volgt dat overheidsopdrachten voor het verrichten van diensten, zoals zorgtaken die grotendeels schoonmaak behelzen, met een geraamde waarde van ten minste 200.000 euro (exclusief btw) aanbestedingsplichtig blijven. Ook voor andere diensten moet mogelijk concurrentiestelling plaatsvinden indien sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang. De ministerraad heeft de wijziging, hoewel die al door de Eerste en Tweede Kamer is aangenomen, voordat zij tot eventuele bekrachtiging over zal gaan, voorgelegd aan de Europese Commissie. Kamerlid Leijten noemt de situatie absurd en ongrondwettelijk en beraadt zich op mogelijke stappen tegen deze procedure.

Naar boven

 
  Europees en mededingingsrecht     Hof van Justitie oordeelt over voorschrijven keurmerken bij aanbestedingen  
In een recente uitspraak heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie duidelijkheid gegeven over het voorschrijven van keurmerken in het kader van overheidsaanbestedingen. Het Hof van Justitie deed die uitspraak naar aanleiding van een door de provincie Noord-Holland gehouden aanbesteding voor koffie(automaten). De Provincie had bij die aanbesteding de keurmerken EKO en Max Havelaar dwingend voorgeschreven.
 
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Gijs Verberne, Praktijkgroep Europees- en Mededingingsrecht.  

Ten aanzien van het EKO-keurmerk oordeelde het Hof van Justitie dat een aanbestedende dienst bij het opstellen van de technische specificaties van een aanbestede opdracht gebruik mag maken van de gedetailleerde specificaties van een milieukeurmerk, zoals EKO. De aanbestedende dienst mag echter niet het keurmerk als zodanig voorschrijven. Wel kan de aanbestedende dienst een milieukeur als EKO aanvaarden als bewijsmiddel dat een inschrijver aan de gestelde specificaties voldoet. Maar zij zijn verplicht ook ieder ander passend bewijsmiddel te aanvaarden.

Bij het keurmerk Max Havelaar ligt dit net iets anders. De criteria voor toekenning van het Max Havelaar-keurmerk betreffen volgens het Hof van Justitie niet de kenmerken van de te leveren producten zelf. Deze criteria zien meer op sociale en handelsvoorwaarden die de opdrachtnemer afspreekt met zijn toeleveranciers. Daarom is in dit geval geen sprake van technische specificaties (als bedoeld in artikel 23 van Richtlijn 2004/18/EG), maar van voorwaarden waaronder de opdracht moet worden uitgevoerd (als bedoeld in artikel 26 van Richtlijn 2004/18/EG). Het Hof van Justitie gaat hier niet verder op in. Niettemin kan worden aangenomen dat ook hier geldt dat een keurmerk kan worden aanvaard als bewijsmiddel, maar dat ook andere passende bewijsmiddel moeten worden aanvaard.

Het Hof van Justitie oordeelde voorts dat ook bij het vaststellen van gunningscriteria mag worden gekeken naar sociale en milieukenmerken. Ook hier geldt dat een aanbestedende dienst naast keurmerken ook andere passende bewijsmiddel moet aanvaarden.

Naar boven

 
  Fiscaal recht   Gevolgen Lenteakkoord voor werknemers en werkgevers  
De geplande bezuinigingen om het Nederlandse begrotingstekort terug te dringen zijn op 25 mei in de Voorjaarsnota 2012 definitief bekend gemaakt. Hieronder een overzicht van de meest in het oog springende maatregelen.
 
Voor nadere informatie kunt u contact opnemen met Ewout van Asbeck, Praktijkgebied Fiscaal recht.  

- de onbelaste reiskostenvergoeding voor woon/werkverkeer wordt vanaf 2013 afgeschaft. Voor lease auto's zullen woon/werk kilometers voortaan als privégebruik meetellen. Er is een overgangsregeling voorgesteld voor leasecontracten en OV-abonnementen die voor 25 mei 2012 zijn ingegaan. Voor zakelijke reizen wordt de beperking per 2014 ingevoerd;
- invoering van een 'tijdelijke' eindheffing in 2013 van 16% voor lonen die in 2012 meer dan € 150.000 bedragen. Deze heffing wordt verschuldigd door de werkgever.
- de pseudo-eindheffing over excessieve vertrekvergoedingen van werknemers met een inkomen van € 531.000 of meer wordt verhoogd van 30% naar 75%. Ook deze heffing komt ten laste van de werkgever.
- verhoging van de aow-leeftijd vindt vanaf 2013 met één maand per jaar plaats, vanaf 2016 met twee maanden per jaar en in 2019 met drie maanden. In 2023 komt de aow-leeftijd uit op 67. Schematisch ziet dat er als volgt uit.

  2013   65 jaar en 1 maand
  2014   65 jaar en 2 maanden
  2015   65 jaar en 3 maanden
  2016   65 jaar en 5 maanden
  2017   65 jaar en 7 maanden
  2018   65 jaar en 9 maanden
  2019   66 jaar
  2020   66 jaar en 3 maanden
  2021   66 jaar en 6 maanden
  2022   66 jaar en 9 maanden
  2023   67 jaar

Vooruitlopend op deze wijzigingen is het voor werkgevers van belang om na te gaan of de arbeidsvoorwaarden ten aanzien van reiskosten voor woon-werkverkeer en pensioenen aanpassing behoeven. Daarbij zal de werkgever kritisch moeten kijken naar de hoogte van de ontslagvergoeding indien het jaarloon van de betrokken werknemer meer bedraagt dan EUR 531.000. Vanzelfsprekend zullen de individuele consequenties sterk afhangen van de wijze waarop een en ander uiteindelijk wordt vormgegeven.

Naar boven

 
  Gezondheidszorg   Contractering medisch specialistische zorg 2012: let op de kleine lettertjes!  
Vrijwel alle ziekenhuizen hebben inmiddels overeenstemming bereikt met hun (grootste) zorgverzekeraars over een productieafspraak voor 2012. De belangrijkste commerciële hobbel is daarmee genomen, maar het plaatje is nog niet rond. De productieafspraak moet worden vastgelegd in een overeenkomst. Tot en met 2011 waren dergelijke “WMG-overeenkomsten”, met een deel voor het A- en het B-segment, beperkt van omvang. Dat is nu wezenlijk anders. Zorgverzekeraars hebben omvangrijke standaardovereenkomsten opgesteld die worden ingezet om de productieafspraak vast te leggen. In de kleine lettertjes staan belangrijke nieuwe verplichtingen voor de ziekenhuizen.
 
Bij vragen over de becommentarieerde standaardovereenkomsten kunt u contact opnemen met Willemien Bischot of Cees Jan de Boer, Praktijkgebied Gezondheidszorg.  

Bent u als ziekenhuis bereid om aan een zorgverzekeraar het recht toe te kennen te pas en te onpas langs te komen om de volledige administratie door te lichten of een enquêteverzoek te mogen doen bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam? En de verplichting om bovenop de productieafspraak zorg te verlenen waar vervolgens geen vergoeding tegenover staat is vaak (vrijwel) onbeperkt. De zorgverzekeraar acht dit vanaf 2012 vanzelfsprekend, maar is dat wel zo?

Het is belangrijk te onderhandelen met zorgverzekeraars over deze kleine lettertjes voordat een handtekening onder de (productie)afspraken voor 2012 wordt gezet. De Gezondheidsgroep van Van Doorne heeft de standaardovereenkomsten van de grootste zorgverzekeraars becommentarieerd en de belangrijkste pijnpunten inzichtelijk gemaakt. Juist in deze laatste fase van de onderhandelingen kunnen die pijnpunten ter discussie worden gesteld.

Naar boven

 
  Notariaat   Nieuwe fusiefaciliteit overdrachtsbelasting bevat nog onduidelijkheden  
Sinds 1 januari 2012 is er voor de overdrachtsbelasting een nieuwe faciliteit voor zogenoemde "juridische fusies buiten concern". Deze geldt onder meer voor fusies tussen stichtingen en verenigingen, zoals tussen pensioenfondsen, kinderopvangorganisaties en woningcorporaties. Voorheen was er voor dergelijke fusies alleen een vrijstelling van overdrachtsbelasting als alle rechtspersonen als algemeen nut beogende instelling waren gerangschikt.
 
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Nienke van Dijk, Praktijkgebied Notariaat.  

De regeling bevat een voortzettingsvereiste. Er is alsnog overdrachtsbelasting verschuldigd “indien de activiteiten van de fuserende rechtspersonen niet gedurende een periode van ten minste drie jaren na de fusie door de verkrijgende rechtspersoon in haar geheel worden voortgezet.”. Vraagpunten zijn i) wat wordt verstaan onder de woorden "in haar geheel" en ii) in hoeverre zorgt een beëindiging van een klein deel van de activiteiten alsnog voor belastingheffing, iii) zelfs als dat activiteiten betreft die de verkrijgende rechtspersoon al voorafgaand aan de fusie verrichtte en die niet aan enige onroerende zaak zijn gerelateerd.

Het vereiste dat "de activiteiten" in het geheel moeten worden voortgezet, is nieuw in het uitvoeringsbesluit zodat daarover nog geen jurisprudentie is. Bij andere vergelijkbare faciliteiten geldt als voorwaarde dat “de verkregen onderneming of het verkregen zelfstandige onderdeel daarvan”, moet worden voortgezet.

De staatssecretaris heeft geen nadere toelichting op deze punten van de voortzettingseis gegeven. Dit betekent helaas in de praktijk dat (alsnog) voorafgaand aan een juridische fusie met de inspecteur moet worden afgestemd.

Naar boven

 

 
Onderwijs
 
Evaluatie branchecode HBO constateert onvoldoende werking code
 
Het rapport inzake de evaluatie van de branchecode goed bestuur voor hogescholen, uitgebracht in april van dit jaar, constateert dat een deel van de hogescholen de code onvoldoende naleeft en dat de branchecode - die nog dateert uit februari 2006 - aan vernieuwing toe is.
 
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Nienke van Dijk, Praktijkgebied Onderwijs en Praktijkgebied Notariaat.  
Enige aanbevelingen van de commissie zijn:
  • het centraal stellen van de kwaliteit van onderwijs en onderzoek;
  • meer expliciete uitwerking van risicomanagement ter zake van de kwaliteit van het onderwijs- en onderzoekbeleid en het toezicht daarop;
  • het vastleggen en publiek maken van de uitgangspunten en randvoorwaarden voor samenwerking met externe stakeholders. De raad van toezicht moet vervolgens toezien op de betrokkenheid van en communicatie aan de stakeholders en jaarlijks verslag doen van zijn bevindingen;
  • externe inbreng bij de periodieke zelfevaluatie van de raad van toezicht;
  • het hanteren van een toetsingskader door de raad van toezicht bij zijn toezichttaak;
  • het opstellen van een "statuut inzake verbindingen" waarin wordt vastgelegd aan welke criteria samenwerkingsverbanden (verbindingen) moeten voldoen en het borgen dat goed toezicht wordt gehouden op deze verbindingen.
Nienke van Dijk: "De aanbevelingen sluiten aan bij ontwikkelingen in vergelijkbare semipublieke sectoren. Ook daar is er bijvoorbeeld steeds meer aandacht voor de kwaliteit van de hoofdactiviteiten en voor het vastleggen van beleid en normatief kader voor deelnemingen, samenwerkingen en andere verbindingen.".
Naar boven

 

 
Onderwijs
 
Reikwijdte toezicht Inspectie van het Onderwijs neemt nu ook formeel toe
 
Binnen het onderwijs leeft al enige tijd de opvatting dat de Onderwijsinspectie niet alleen toezicht houdt op de kwaliteit van het onderwijs, maar ook op het functioneren van het bestuur en het financieel beheer. Dit idee wordt per 1 juli 2012 bevestigd met de inwerkingtreding van het wetsvoorstel inzake geïntegreerd onderwijstoezicht.
 
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Martijn Nolen, Praktijkgebied Onderwijs.  

De wetswijziging houdt in dat de inspectie formeel tot taak krijgt het beoordelen en bevorderen van: (a) de kwaliteit van het onderwijs (b) de naleving van de onderwijswet- en regelgeving en (c) de financiële rechtmatigheid, inclusief de rechtmatigheid van het financieel beheer. De Inspectie beoordeelt en adviseert niet alleen, maar kan zelf handhavend optreden door bekostigingssancties op te leggen. In de praktijk wordt overigens ook het opschalen van de intensiteit van het toezicht bij een individuele instelling als een handhavende sanctie ervaren. Martijn Nolen: “De wetswijziging is vooral een bevestiging van wat al in de praktijk gebeurt. Wel geldt dat de impact van individuele onderzoeken toeneemt: zowel voor de instelling als voor haar bestuurders.”

Van bestuurders en intern toezichthouders mag worden verwacht dat men volledig medewerking verleent aan specifieke onderzoeken. Wel zou het goed als de Inspectie ook rekening houdt met de belangen van de instellingen en met het risico van beeldvorming. Nolen: “Onze ervaringen met toezichttrajecten leren dat men soms schrikt van de omvangrijke bevoegdheden van de Inspectie en de grote reikwijdte van het toezicht. Professionele ondersteuning is steeds vaker noodzaak, al blijft het werken aan wederzijds vertrouwen wel een gedeelde verantwoordelijkheid. Een goede vertrouwensrelatie is van levensbelang voor de toekomst van de sector en ook de Inspectie heeft daarin een rol.”.

Naar boven

 

 
Overheid en Vastgoed
 
Bouwbesluit 2012; enkele wijzigingen ten opzichte van oude situatie
 
Op 1 april 2012 trad het Bouwbesluit 2012 in werking. Het geeft voorschriften voor nieuwe en bestaande bouwwerken. Het Bouwbesluit 2012 brengt uiteraard wijzigingen met zich die van belang zijn voor de praktijk. Hieronder enkele in het oog springende wijzigingen.
 
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Cees Kniestedt of Bart Pijpers, Praktijkgebied Overheid en Vastgoed.  

Verbouweisen bij bestaande gebouwen.
De eisen waaraan een bestaand pand na verbouwing of herbestemming moet voldoen zijn minder streng. Als hoofdregel geldt dat bij verbouwingen met behoud van bestemming de eisen gelden dat ten tijde van de bouw (en eventuele later verbouwingen) gold; het rechtens verkregen niveau. Bij verandering van bestemming (bijv. kantoor naar woningen) geldt dat moet worden voldaan aan de eisen van bestaande bouw. Voorheen moest voldaan worden aan de nieuwbouweisen. Dit is daarom een verlichting van de eisen.
Eisen aan bouw- een slooplawaai.
In het Bouwbesluit 2012 zijn strengere eisen opgenomen ten aanzien van het bouw- en slooplawaai. Zo is bijvoorbeeld de circulaire Bouwlawaai 2010 geïntegreerd. Daarnaast is ook de methodiek veranderd: men moet nu vooraf berekenen welk geluid het bouwen en/of slopen gaat produceren; voorheen werd dat tijdens de uitvoering gemeten. Blijkt uit die berekening al dat geluidgrenzen (vermoedelijk) worden overschreden, dan kan een omgevingsvergunning worden geweigerd. Of men moet gemotiveerd om een ontheffing verzoeken. En daardoor moet een bouwer op zijn minst de best beschikbare stille technieken gebruiken en de meest gunstige werkwijze toepassen. Dit zal in veel gevallen een verzwaring van de eisen zijn, omdat men moet investeren in stille technieken.
Integratie regelgeving.
Het Bouwbesluit 2012 integreert bijvoorbeeld het Gebruiksbesluit, de plaatselijke bouwverordening en de al genoemde circulaire Bouwlawaai 2010. Daardoor worden de regels uniformer wat een groot voordeel is voor vooral landelijke opererende bouwbedrijven. Gemeenten zullen daarentegen minder beleidsvrijheid hebben om hun eigen regels te stellen.

Dit is uiteraard slechts een beperkte selectie van de wijzigingen die het Bouwbesluit 2012 met zich brengt. In de komende periode moet blijken hoe een en ander uitpakt. Er is overigens voorzien in overgangsrecht, zodat op sommige bouwwerkzaamheden de oude regelgeving nog van toepassing is. Al met al is het noodzakelijk om per bouwactiviteit te bezien aan welke normen moet worden voldaan.

Naar boven

 

 
Overheid en Vastgoed
 
Overdracht participaties in vastgoedfondsen belast met overdrachtsbelasting?
 
Met de aanbieding van de Fiscale Verzamelwet 2012 aan de Tweede Kamer worden de gevolgen van het arrest van de Hoge Raad van 15 oktober 2004 'gerepareerd'. De Hoge Raad oordeelde in dit arrest dat over een verkrijging van participaties die minder dan een 1/3 belang vertegenwoordigen in een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid (de maatschap in onderhavig geval maar de uitspraak is ook van toepassing op commanditaire vennootschappen) die aan de criteria van een onroerende zaaklichaam voldoet geen overdrachtsbelasting verschuldigd was.
 
Voor vragen of meer informatie kunt u contact opnemen met Jan-Willem Wiertsema of Hylke Faber, Praktijkgebied Overheid en Vastgoed.  

De voorgestelde 'reparatie' heeft voor vastgoedbeleggers een onwenselijke uitkomst, namelijk dat zij bij iedere verkrijging van vastgoed in de vorm van participaties in een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid overdrachtsbelasting verschuldigd zijn; niet over de economische waarde van hun participaties maar over de waarde van het onderliggende vastgoed!

Uitzondering
Na 1 januari 2013 bestaat er één uitzondering op de bovenstaande regeling, namelijk de verkrijging van participaties in een open beleggingsfonds als bedoelt in artikel 1.1 Wet op het financieel toezicht (Wft). Van een open beleggingsfonds is sprake (naast andere criteria) indien de participaties vrij verhandelbaar zijn. Onder het begrip vrij verhandelbaar wordt voor de overdrachtsbelasting ook verstaan het vrijelijk mogen vervreemden van de participaties aan de beheerder van het beleggingsfonds. Indien er sprake is van een open beleggingsfonds dan is er slechts overdrachtsbelasting verschuldigd indien men een belang verkrijgt van meer dan 1/3 in het fonds.

Praktijk
Helaas voor vastgoedbeleggers is het gros van de beleggingsfondsen niet zodanig gestructureerd dat zij kwalificeren als open beleggingsfonds in de zin van artikel 1.1 van de Wft. Verkrijgingen van participaties in vastgoed maatschappen en C.V.'s worden na 1 januari 2013 belast met overdrachtsbelasting indien de Fiscale Verzamelwet 2012 wordt aangenomen. Aanpassing van de huidige structuren is daarom wenselijk!

Naar boven

 

 
Proces- en Verzekeringsrecht
 
Per 1 juli 2012 snel oordeel Hoge Raad over rechtsvragen
 
Op 1 juli 2012 treedt de Wet prejudiciële vragen aan de Hoge Raad in werking. Vanaf dan kunnen lagere rechters in bepaalde zaken zogenoemde prejudiciële vragen stellen aan de Hoge Raad. Over een rechtsvraag kan dan snel duidelijkheid worden verkregen. Zo hoeft een zaak dus niet meer (enkel) daarvoor te worden “uitgeprocedeerd” tot de Hoge Raad.
 
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Robert Hendrikse, Praktijkgebied Proces- en Verzekeringsrecht.  

De Wet prejudiciële vragen bepaalt dat de rechter op verzoek van een partij of ambtshalve een prejudiciële vraag kan stellen. Dat kan niet alleen in een massaschadezaak, maar ook in een andere zaak waarvan het antwoord op een rechtsvraag van belang is voor talrijke andere feitelijke vergelijkbare zaken. De Hoge Raad is niet gehouden de vraag ook daadwerkelijk te beantwoorden, maar kan daarvan afzien als hij de vraag niet geschikt acht of van onvoldoende gewicht.

Onmiddellijke werking is uitgangspunt bij deze nieuwe wet. Dit betekent dat de bevoegdheid van de lagere rechter om aan de Hoge Raad een prejudiciële vraag te stellen ook mogelijk is ter zake van gebeurtenissen die vóór de inwerkingtreding van de wet hebben plaatsgevonden. Ook indien de desbetreffende procedure in welk kader de vraag wordt gesteld al daarvoor was begonnen.

Naar boven

 
 
 
 
Ofschoon aan de inhoud de uiterste zorg is besteed, strekt de nieuwsbrief uitsluitend ter voorlichting en wordt niet beoogd juridisch advies te verlenen over concrete onderwerpen. Van Doorne N.V. kan geen aansprakelijkheid aanvaarden voor eventuele (gevolgen van) onjuistheden of omissies.
U mag deze nieuwsbrief ongewijzigd doorzenden.
 
 
Privacy
© Van Doorne N.V., 2012
 
 -
 - Van Doorne N.V.
Jachthavenweg 121
1081 KM Amsterdam
Postbus 75265
1070 AG Amsterdam
 -
-

t: +31 (0)20 6789 123
f: +31 (0)20 7954 589
e: nieuwsbrief@vandoorne.com
w: www.vandoorne.com
Van Doorne N.V.