- - - - -
- Nieuwsbrief Van Doorne
- Februari 2011 Nederlands |  English -
-
. Arbeidsrecht
. Bank- en effectenrecht
. Europees- en Mededingingsrecht
. Fiscaal recht
. Gezondheidszorg
. Notariaat
. Ondernemingsrecht
. Onderwijs
. Overheid en Vastgoed
. Pensioen
Van Doorne Nieuwsbrief
-
-
  Arbeidsrecht - De werkkostenregeling, voor sommigen een feit voor anderen nog toekomstmuziek -
Op 1 januari 2011 is de werkkostenregeling in werking getreden. Werkgevers hebben de keuze de regeling meteen toe te passen of pas vanaf een later moment (uiterlijk 1 januari 2014). Voor de werkgevers die de regeling nog niet hebben geïntroduceerd, is het zaak de komst van de regeling niet uit het oog te verliezen en hierop te anticiperen!
- Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Aedzer Oreel en Linda Jansen, Praktijkgebied Arbeidsrecht. -

De regeling in een notendop
De werkkostenregeling houdt in dat de werkgever 1,4% van zijn totale fiscale loonsom belastingvrij mag besteden aan vergoedingen en verstrekkingen voor zijn werknemers. Uit deze ‘vrije ruimte’ kunnen zaken als kerstpakketten, personeelsfeesten en kortingen op producten uit eigen bedrijf worden betaald. Overschrijdt de werkgever de vrije ruimte, dan is hij een eindheffing van 80% verschuldigd over het bedrag dat de vrije ruimte te boven gaat.
Bepaalde vergoedingen die specifiek zijn benoemd (de gerichte vrijstellingen), zoals zakelijke reiskosten en studiekosten, kunnen onbelast worden vergoed en verstrekt zonder dat dit ten koste van de vrije ruimte gaat.
Voor bijvoorbeeld voorzieningen op de werkplek zoals de vaste computer, de vaste telefoon en consumpties die geen deel uitmaken van een maaltijd, geldt een zogeheten ‘nihilwaardering’. Vergoedingen die op nihil worden gewaardeerd, belasten de vrije ruimte van 1,4% niet.

Werkgevers die de regeling nog niet hebben geïntroduceerd
Zoals het er nu voor staat dienen alle werkgevers in Nederland vanaf 1 januari 2014 de werkkostenregeling toe te passen. In dat kader adviseren wij werkgevers die nog niet de regeling toepassen, nu al kritisch naar hun arbeidsvoorwaarden te kijken en na te gaan of de vergoedingen/verstrekkingen aan werknemers de 1,4% vrije ruimte overschrijden. Zo ja, dan is het zaak - wil de werkgever niet straks over het meerdere 80% eindheffing betalen - te onderzoeken welke arbeidsvoorwaarden de werkgever voor zijn huidige personeelsbestand kan wijzigen. Daarnaast kan een werkgever in arbeidsovereenkomsten voor zijn nieuwe werknemers rekening houden met de komst van de werkkostenregeling.

Werkgevers die de regeling per 1 januari 2011 hebben geïntroduceerd
Opletten bij sommige vergoedingen en verstrekkingen
In een aantal gevallen is de wijze van vergoeding van belang om te bepalen of de vrije ruimte wordt belast. Een aantal voorbeelden:

•   Een ter beschikking gestelde mobiele telefoon die voor meer dan 10% zakelijk wordt gebruikt, wordt op nihil gewaardeerd. Dit geldt echter alleen als de mobiele telefoon door de werkgever wordt aangeschaft en aan de werknemer ter beschikking wordt gesteld. Deze nihilwaardering geldt dus niet als de werkgever de kosten van de mobiele telefoon vergoedt aan de werknemer. In die situatie komt de factuurwaarde ten laste van de vrije ruimte. Ook als de mobiele telefoon eigendom wordt van de werknemer geldt de nihilwaardering niet.
•   Ook bij fitness dient de werkgever op te letten: voor de bedrijfsfitness binnen de onderneming geldt een nihilwaardering, terwijl voor de bedrijfsfitness buiten het gebouw van de werkgever de factuurwaarde ten laste komt van de vrije ruimte.

Verdere arbeidsrechtelijke aandachtspunten
Bij het opstellen van arbeidsovereenkomsten (denk aan de bepalingen over onkostenvergoedingen, telefoon, laptop etc.) en in het kader van beëindigingregelingen is het zaak oog te hebben voor het feit dat de werkkostenregeling wordt toegepast. Bij het treffen van een beëindigingsregeling is met name relevant dat het betalen van (een deel van) de kosten van rechtsbijstand van de werknemer ten laste komt van de vrije ruimte van 1,4%. Voor outplacementkosten daarentegen geldt een gerichte vrijstelling. Deze kosten kunnen dus ook onder de werkkostenregeling onbelast worden vergoed.

Tot zover de werkkostenregeling in een notendop. Wij denken graag met u mee over de (toekomstige) introductie van de werkkostenregeling en hoe hierop te anticiperen.

Naar boven
-
  Bank- en effectenrecht - Wijziging van de prospectus - en transparantierichtlijnen -
Per 31 december 2010 is de Richtlijn (2010/73/EG) tot wijziging van de Prospectusrichtlijn (2003/71/EG) en de Transparantierichtlijn (2004/109/EG) in werking getreden.
- Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Roel Botter, Praktijkgebied Bank- en effectenrecht. -

De wijzigingsrichtlijn heeft als doel de bestaande richtlijnen te vereenvoudigen en te verbeteren, de efficiëntie ervan te verhogen en het internationale concurrentievermogen van de Europese Unie (EU) te versterken. De wijzigingsrichtlijn moet voor 1 juli 2012 in de Nederlandse wetgeving te zijn geïmplementeerd.

Prospectusrichtlijn

De belangrijkste wijzigingen van de Prospectusrichtlijn zijn:

buiten toepassing van de Prospectusrichtlijn:
-
aanbieding van effecten met een totale tegenwaarde in de EU van minder dan EUR 5 miljoen (nu: EUR 2,5 miljoen) berekend over een periode van 12 maanden;
  - aanbieding van bepaalde effecten zonder aandelenkarakter uitgegeven door kredietinstellingen met een totale tegenwaarde in de EU van minder dan EUR 75 miljoen (nu: EUR 50 miljoen) berekend over een periode van 12 maanden.
•   aanpassing drempelwaarden uitzonderingen prospectusplicht:
  - aanbieding van effecten aan minder dan 150 personen (nu: 100) per lidstaat;
  - aanbieding van effecten die alleen tegen een tegenwaarde van tenminste EUR 100.000 per belegger (nu: EUR 50.000) kunnen worden gekocht;
  - aanbieding van effecten met een nominale waarde per eenheid van tenminste EUR 100.000 (nu: EUR 50.000).
•   uitzondering prospectusplicht bij werknemersaandelenplannen
  - aanbieding van effecten door werkgever aan bestuurders en werknemers, mits in plaats van een prospectus een (beperkt) informatiedocument beschikbaar wordt gesteld (nu: tevens de eis dat effecten van de werkgever al tot de handel gereglementeerde markt zijn toegelaten).
•   inhoud prospectus
  - introductie van het begrip "kerngegevens", zijnde essentiële en naar behoren gestructureerde gegevens die een belegger in staat moeten stellen de aard en risico's van de aangeboden effecten te begrijpen. Deze kerngegevens moeten in de samenvatting van het prospectus worden opgenomen.

Transparantierichtlijn

De belangrijkste wijziging van de Transparantierichtlijn is:

•   aanpassing drempelwaarden inzake:
  - vrijstelling van bepaalde openbaarmakingsverplichtingen (zoals publicatie halfjaarcijfers) bij uitgifte van obligaties met een nominale waarde per eenheid van tenminste EUR 100.000 (nu: EUR 50.000);
  - flexibiliteit ten aanzien van plaats van vergadering van obligatiehouders bij uitgifte van obligaties met een nominale waarde per eenheid van tenminste EUR 100.000 (nu: EUR 50.000).
Na implementatie van de wijzigingsrichtlijn in Nederland kunnen uitgevende instellingen ten aanzien van uitgegeven obligaties met een nominale waarde per eenheid van tenminste EUR 50.000 alleen gebruik blijven maken van bovenstaand verlicht transparantieregime (gedurende de looptijd van die obligaties), indien de obligaties zijn uitgegeven en toegelaten tot een gereglementeerde markt voor 31 december 2010.
Naar boven
-
  Europees- en Mededingingsrecht - Boetes opgelegd voor te laat melden concentratie -
De Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) heeft boetes tot 1.730.000 euro opgelegd wegens het niet tijdig melden van een concentratie.
- Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Sarah Beeston, Praktijkgebied Europees- en Mededingingsrecht. -

Twee bedrijven uit de oliezadensector, de Sofiprotéol groep en de Bunge groep, hebben in december 2009 door de overdracht van aandelen een concentratie tot stand gebracht. Van deze overname is de NMa pas in februari 2010 op de hoogte gesteld. In april 2010 is de overname bij de NMa gemeld, waarna de NMa deze in mei 2010 heeft goedgekeurd.

De Mededingingswet verplicht ondernemingen een concentratie (overname, fusie of joint venture) te melden bij de NMa indien alle betrokken partijen samen een wereldwijde omzet hebben behaald van minstens 113.450.000 euro en ten minste twee van de betrokken ondernemingen ieder een omzet in Nederland hebben behaald van minstens 30 miljoen euro.

De maximale boete voor het niet (tijdig) melden van een voorgenomen concentratie is 450.000 euro of, indien dat meer is, 10 procent van de omzet van de onderneming. De NMa heeft aan de Sofiprotéol groep een boete van 677.000 euro opgelegd. Aan de Bunge groep heeft de NMa een boete van 1.730.000 euro opgelegd.

Naar boven
-
  Europees- en Mededingingsrecht - Boetes overtredingen Mededingingswet niet aftrekbaar van winst -
De Hoge Raad heeft met zijn uitspraak van 7 januari 2011 bevestigd dat boetes die de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) oplegt voor overtredingen van de Mededingingswet, niet mogen worden afgetrokken van de winst, waarover belasting moet worden afgedragen.
- Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Sarah Beeston, Praktijkgebied Europees- en Mededingingsrecht. -

Boetes die worden opgelegd op grond van de Mededingingswet vallen niet onder de aftrekuitsluiting van de Wet IB 2001 en mogen voor de berekening van de over de omzet geheven belastingen dus niet worden afgetrokken van de winst. Dit geldt ook voor andere bestuurlijke boetes.

Bedragen die worden betaald aan de Staat als verrekening van voordelen die in strijd met de wet zijn verkregen, mogen wel van de winst worden afgetrokken. Door de NMa opgelegde boetes vallen hier echter niet onder.

Naar boven
-
  Gezondheidszorg - Handelen van de Staat in de zorgsector: onmiskenbaar onrechtmatig? -
Door de Staat (voor deze de minister van VWS) opgelegde kortingen in de zorg worden met enige regelmaat bij de civiele en de bestuursrechter aangevochten. Daarin is steeds de vraag of het handelen van de Staat als onmiskenbaar onrechtmatig te kwalificeren is. Onlangs oordeelde de rechtbank Den Haag opnieuw dat daarvan sprake was.
De gezondheidsgroep van Van Doorne is betrokken bij diverse procedures tegen kortingen in de zorg.
- Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Marg Janssen en mr. Willemien Bischot, Praktijkgebied Gezondheidszorg. -

Op 28 december oordeelde De Rechtbank dat de Staat onmiskenbaar onrechtmatig handelt door een tariefkorting van 1,7% toe te passen op de AWBZ-functies persoonlijke verzorging en ondersteunende begeleiding. Aan de orde was de vraag of de Staat een extra korting mocht opleggen, omdat in het kader van een bonus-malus regeling, meer bonussen waren uitgekeerd dan waar de Staat op gerekend had. De bonus-malus regeling was gekoppeld aan een eerdere tariefkorting van 3,5%. Deze tariefkorting kon worden 'terugverdiend' door aan bepaalde voorwaarden te voldoen. Volgens de rechter had de Staat een denkfout gemaakt door te veronderstellen dat de uitkering van bonussen en malussen tegen elkaar zouden wegvallen, terwijl dat in werkelijkheid niet zo uitpakte. De staat kon zich naar de mening van de rechter dan ook niet beroepen op de complexiteit van de regeling en het feit dat de Staat, bij het uitkeren van de bonussen, geen voorafgaande controle had toegepast of de uitkeringen wel paste in het beschikbare budget. De kort geding procedure was aanhangig gemaakt door ActiZ, de brancheorganisatie voor aanbieders van zorg in verpleeg- en verzorgingshuizen, thuiszorg, kraam- en jeugdgezondheidszorg.

De gezondheidsgroep van Van Doorne is betrokken bij diverse procedures tegen kortingen in de zorg. Meest recent werd Van Doorne door Revalidatie Nederland gevraagd haar bij te staan in een procedure tegen de korting in de ziekenhuissector van 315 miljoen. De brancheorganisatie van de revalidatie-instellingen vindt dat de Staat bij het opleggen van de korting onvoldoende oog heeft gehad voor de specifieke positie van de Nederlandse revalidatiecentra en acht de korting onder meer op die grond onmiskenbaar onrechtmatig.

Naar boven
-
  Fiscaal recht - Hof van Justitie EG: Leasing geen misbruik van recht -
Op 22 december 2010 heeft het Hof van Justitie EG een ondermeer voor de zorgsector belangrijk arrest gewezen over de vraag of leasing van goederen misbruik van recht is voor de heffing van omzetbelasting. Het Hof vindt van niet, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan.
- Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Martijn Kouffeld, Praktijkgebied Fiscaal recht. -

Ondernemers die van BTW vrijgestelde prestaties verrichten, zoals zorginstellingen, maar ook banken en verzekeringsmaatschappijen, kunnen BTW die in rekening wordt gebracht als zij goederen of diensten kopen niet in aftrek brengen. Om de kosten te verminderen kunnen goederen ook geleaset worden. De BTW hoeft dan niet in een keer betaald te worden, maar moet betaald worden over de periodieke leasetermijnen. Het is voordeliger om de BTW gespreid over een aantal jaren te betalen dan ineens. De belastingdienst is echter van mening dat, indien hiervoor een aparte vennootschap wordt gebruikt, dit oneigenlijk gebruik is van de belastingwetgeving. De afgelopen jaren zijn vele controles ingesteld bij ondermeer ziekenhuizen. Onder druk van het Ministerie van Financiën hebben veel ziekenhuizen de leasestructuren opgedoekt. Naar nu blijkt ten onrechte. Want anders dan de belastingdienst is het Hof van Justitie van mening dat een ondernemer het recht heeft de kosten van de BTW te beperken door te kiezen voor een leasestructuur. Wel moet de leasestructuur economische realiteit hebben. De gevraagde leasevergoeding mag bijvoorbeeld niet ongebruikelijk laag zijn. Als gevolg van deze uitspraak lijken er weer mogelijkheden te komen om de BTW-druk te beperken.

Naar boven
-
  Notariaat - Elektronisch overeenkomsten sluiten: Bent u op de hoogte van de ruimere mogelijkheden? -
Het is wettelijk gezien al sinds 2004 mogelijk om op elektronische wijze handel te drijven. Sindsdien bevat de wet namelijk een bepaling die het mogelijk maakt om, zij het op beperkte wijze, elektronisch een overeenkomst te sluiten indien wettelijk een schriftelijke overeenkomst nodig is. Deze bepaling bevatte echter zodanig veel uitzonderingen dat hier in de praktijk slechts in beperkte mate van kon worden geprofiteerd.
- Wilt u weten wat de "elektronische" mogelijkheden voor u zijn of wilt u meer informatie, neem dan contact op mr. Frederike van Harskamp of mr. Marinus de Waal, Praktijkgebied Notariaat. -

In 2010 heeft de wetgever de bepaling echter herzien, waardoor de praktische toepasbaarheid danig is vergroot. De vele uitzonderingen die de wet kende waardoor de overeenkomst uiteindelijk toch niet op elektronische wijze kon worden vastgelegd, zijn teruggebracht tot één belangrijke uitzondering, namelijk: overeenkomsten waarvoor de wet tussenkomst voorschrijft van een rechter, een overheidsorgaan of een beroepsbeoefenaar die een publieke taak uitoefent, zoals bijvoorbeeld een notaris. Deze kunnen niet elektronisch worden gesloten.

Genoemde wetswijziging zorgt ervoor dat op afstand in zowel binnen- als buitenland bindende overeenkomsten kunnen worden gesloten, maar ook de terbeschikkingstelling van algemene voorwaarden, de verplichte toestemming van de echtgenoot of geregistreerd partner bij sommige rechtshandelingen, de ingebrekestelling en de stuiting van verjaring zijn sinds de wetswijziging elektronisch mogelijk.

Naar boven
-
  Ondernemingsrecht - Hebben aandeelhouders recht op een redelijk dividend? -
In beginsel hebben aandeelhouders recht op uitkering van alle winst. Echter, meestal bevatten de statuten nadere bepalingen op basis waarvan besloten kan worden tot reservering van (een deel van) de winst. Uit een recente uitspraak van de Rechtbank Amsterdam inzake KLM vloeit voort dat in bepaalde gevallen aandeelhouders geen rechten kunnen ontlenen aan bovenstaand beginsel en dus geen redelijke dividenduitkering kunnen afdwingen. Dit beginsel is niet meer dan een uitgangspunt.
- Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Pieter van den Brink, Praktijkgebied Ondernemingsrecht. -

In bovengenoemde zaak kwam de vraag aan de orde of het besluit van Air France-KLM om een groot deel van de winst van KLM te reserveren in strijd was met de tegenover minderheidsaandeelhouders in acht te nemen redelijkheid en billijkheid. In april 2004 bracht Air France een openbaar ruilbod uit op gewone aandelen KLM. Een aantal aandeelhouders heeft dit bod echter niet geaccepteerd en is aandeelhouder KLM gebleven. Na overname is slechts 0,9% van de gewone aandelen nog in handen van minderheidsaandeelhouders. Daarbij is in de statuten van KLM bepaald dat Air France-KLM als prioriteitsaandeelhouder kan besluiten tot reservering van (een deel van) de winst. In 2008 werd door Air France-KLM besloten om 90,7% van de winst van KLM over het boekjaar 2007/2008 te reserveren. Volgens de VEB, optredend ten behoeve van de gezamenlijke minderheidsaandeelhouders, heeft Air France-KLM in haar besluit onvoldoende rekening gehouden met de belangen van de minderheidsaandeelhouders bij een redelijk dividend. Met name in relatie tot een minderheidsaandeelhouder in een niet (langer)-beursgenoteerde onderneming is het recht op dividend van groot belang en een van de weinige rechten die een minderheidsaandeelhouder heeft. Voor de minderheidsaandeelhouders zijn er immers nauwelijks mogelijkheden om hun aandelen te verkopen. Het aandeel KLM is na overname niet langer genoteerd. Om haar internationale landingsrechten te kunnen behouden, dient bovendien de meerderheid van de aandelen in KLM (de feitelijke zeggenschap) in handen te zijn van Nederlandse rechtspersonen. Daarom wordt een deel van de aandelen KLM gehouden door twee Nederlandse administratiekantoren en houdt Air France-KLM voor eigen rekening slechts 49% van het kapitaal in KLM. Hierdoor is een uitkoopprocedure ook niet mogelijk.

De Rechtbank Amsterdam erkent in haar uitspraak dat minderheidsaandeelhouders het vanuit een oogpunt van rendement veelal moeten doen met het dividend op aandelen. Dit betekent echter niet dat daarmee op grond van de redelijkheid en billijkheid voor Air France-KLM de verplichting ontstaat te besluiten tot uitkering van een redelijk dividend. Dit hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij de Rechtbank opmerkt dat Air France-KLM in het bepalen van het dividendbeleid een “ruime beoordelingsmarge” heeft. In het onderhavige geval oordeelde de Rechtbank op basis van een uitvoerige uiteenzetting van de financiële positie van KLM en Air France-KLM dat het besluit tot reservering was gerechtvaardigd en dat de reservering de minderheidsaandeelhouders niet onevenredig in hun belangen heeft getroffen. De VEB heeft aangegeven de uitspraak principieel onverteerbaar te vinden en heeft inmiddels hoger beroep ingesteld. Wordt vervolgd.

Naar boven
-
  Onderwijs - Samenwerkingsovereenkomsten in het onderwijs en faillissement -
Partijen die een samenwerkingsovereenkomst aangaan, verwachten gezamenlijk een rooskleurige toekomst. Helaas komt dit niet altijd uit en bestaat de mogelijkheid dat één van de partijen failliet gaat of surseance van betaling aanvraagt. Voor onderwijsorganisaties is het van belang om bij het aangaan van samenwerkingsovereenkomsten in dit scenario te voorzien.
- Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Martijn Nolen, Praktijkgebied Onderwijs en mr. Harmke Willems, Praktijkgebied Insolventierecht. -

Onderwijsorganisaties maken steeds vaker onderdeel uit van verschillende bestuurlijke netwerken en samenwerkingsverbanden met bijvoorbeeld het bedrijfsleven, woningcorporaties of andere maatschappelijke organisaties. Soms is dit zelfs een voorwaarde voor bekostiging of subsidie. Voorbeelden daarvan zijn samenwerkingen op het terrein van passend onderwijs, brede scholen of bijzondere subsidieregelingen in het kader van kennisvalorisatie. Plotselinge confrontatie met het faillissement van een samenwerkingspartner kan zorgen voor onwenselijke en onwerkbare situaties als daarvoor niets is geregeld. Een faillissement van één van partijen beëindigt namelijk niet automatisch de samenwerkingsovereenkomst, terwijl de continuering van de feitelijke uitvoering van de overeenkomst onzeker is en beëindiging wellicht gewenst is. Pas als de curator aangeeft de samenwerkingsovereenkomst niet te willen voort zetten, kan de samenwerkingsovereenkomst worden beëindigd.

Onduidelijkheid in deze situatie is te voorkomen door hiervoor in de samenwerkingsovereenkomst voorzieningen te treffen. Daarnaast is het mogelijk afspraken te maken over de wederzijdse informatieverschaffing en financiële verantwoording om zo beter zicht te houden op toekomstige risico’s.

Naar boven
-
  Overheid en Vastgoed - Te laat beslissen door gemeente niet altijd zonder gevolgen -
Een veel gehoorde klacht is dat burgers bij het niet naleven van een termijn in het bestuursrecht een zware sanctie krijgen (bijvoorbeeld: bezwaar niet-ontvankelijk), terwijl bestuursorganen zelf bij een termijnoverschrijding daar geen of nauwelijks gevolgen van ondervinden. Uit een recente uitspraak van de Hoge Raad blijkt echter dat dit laatste niet altijd het geval is.
- Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Bart Pijpers, Praktijkgebied Overheid en Vastgoed. -

Een projectontwikkelaar had in gemeente Eindhoven een bouwvergunning aangevraagd en gekregen. Daartegen werd bezwaar gemaakt door derden. Tegelijkertijd werd bij de Voorzieningenrechter een schorsingsverzoek van de werking van de vergunning ingediend en verleend, waardoor de ontwikkelaar niet meer verder kon bouwen (hij was al begonnen). De schorsing zou duren tot zes weken nà de beslissing op bezwaar door de gemeente. Echter, de gemeente draalde 29 weken met het nemen van een beslissing op bezwaar. En al die tijd kon de ontwikkelaar geen gebruik meer maken van zijn vergunning.

De ontwikkelaar was uiteraard "not amused" en vorderde bij de gemeente schadevergoeding voor de vertraging die het bouwproject hierdoor - onnodig - opliep. Uiteindelijk beslist de Hoge Raad in het voordeel van de ontwikkelaar. Door de termijn die de gemeente zichzelf gunde, handelde de gemeente in strijd met de in het maatschappelijk verkeer richting een belanghebbende in acht te nemen zorgvuldigheid. Alhoewel beginnen te bouwen terwijl een bouwvergunning niet onherroepelijk is normaliter voor rekening van de vergunninghouder komt, oordeelt de Hoge Raad in dit geval dat dit niet opgaat. Ook het argument van de gemeente dat de beslissing op bezwaar inmiddels onaantastbaar is geworden (daartegen was geen beroep ingesteld) en de burgerlijke rechter dus van de juistheid daarvan heeft uit te gaan (= formele rechtskracht), legde de Hoge Raad naast zich neer. Daarbij sluit hij aan bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State waarbij is geoordeeld dat een termijnoverschrijding geen onderdeel is van de wijze van totstandkoming van een beslissing op bezwaar. Dat valt dan ook niet onder de regel van de formele rechtskracht.

De gemeente Eindhoven werd veroordeeld tot het betalen van de vertragingsschade van circa € 126.000,00. En zo kan het dus zijn dat een gemeente een termijnoverschrijding erg duur kan komen te staan.

Tot slot: voorgaande dient onderscheiden te worden van de Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen dat handelt over boetes voor bestuursorganen bij termijnoverschrijdingen bij beslissingen op aanvraag (4:17 Awb).

Naar boven
-
  Pensioen - Eerste multi-ondernemingspensioenfonds is een feit! -
Afgelopen jaar is de wijziging van de Pensioenwet in werking getreden die de oprichting van een multi-ondernemingspensioenfonds (multi-opf) mogelijk maakt. Een multi-opf is een pensioenfonds waarin verschillende al bestaande ondernemingspensioenfondsen kunnen samengaan. Per 31 december 2010 is door middel van een juridische fusie de eerste multi-opf ontstaan.
- Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Albert van Marwijk Kooy of mr. Nienke van Dijk, Praktijkgebied Pensioen. -

Met de invoering van de wettelijke mogelijkheid is gehoor gegeven aan de wens van de sector: veel ondernemingspensioenfondsen worden geconfronteerd met steeds hogere governance eisen en problemen met de bemensing. Dit heeft al geleid tot de liquidatie van een aanzienlijk aantal ondernemingspensioenfondsen.

Het samengaan van ondernemingspensioenfondsen levert vele voordelen op. Zo kent het multi-opf één bestuur en één deelnemersraad en zijn dus minder mensen nodig. Ook kunnen schaalvoordelen worden behaald op het gebied van administratie en vermogensbeheer. De uit te voeren pensioenregelingen mogen verschillen. Werkgevers kunnen dus hun bestaande pensioenregeling continueren indien zij toetreden tot een multi-opf. Ter waarborging van de verschillende pensioenregelingen kunnen afgescheiden vermogens worden aangehouden, zodat geen vermenging zal ontstaan tussen “rijke” en “arme” pensioenregelingen.

De toetreding tot een multi-opf vergt een zorgvuldig opgestelde toetredingsovereenkomst. Daarnaast is voor de oprichting van een multi-opf vereist het opstellen van de gebruikelijke relevante juridische documentatie, zoals statuten, een bestuursreglement, een reglement voor de deelnemersraad, een pensioenreglement, etc. Van Doorne heeft alle benodigde juridische documentatie paraat, heeft ervaring in de begeleiding van juridische fusies en kan u daardoor ter zake optimaal begeleiden.

Indien u als werkgever of ondernemingspensioenfonds meer wilt weten over de mogelijkheden van het multi-opf, dan denken wij graag met u mee.

Naar boven
-
  Pensioen - Wetsvoorstel inzake premiepensioeninstellingen -
Op 21 december 2010 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het wetsvoorstel inzake premiepensioeninstellingen (PPI). De PPI is de Nederlandse invulling van de Europese Pensioenfondsenrichtlijn (IORP) en biedt een alternatief voor de bestaande pensioenregelingen.
- Van Doorne is u graag behulpzaam bij het meedenken en implementeren van oplossingen op dit gebied. Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Albert van Marwijk Kooy en mr. Nienke van Dijk, Praktijkgebied Pensioen. -

Er bestaat al langere tijd behoefte aan simpele, flexibele en transparante pensioenoplossingen om de kosten van onze oudedagsvoorzieningen in de hand te houden. De PPI voldoet aan deze eisen, waardoor de PPI naar verwachting door een aantal bedrijven snel zal worden omarmd. Er gelden wel beperkingen. De pensioenregeling moet de vorm hebben van een premieovereenkomst, zonder dekking van pensioenrisico’s zoals lang leven, nabestaanden en arbeidsongeschiktheid. De PPI kan daardoor alleen werkzaam zijn tijdens de opbouwfase van het pensioen. Bij die "defined contribution regelingen" heeft de werkgever enkel de verplichting tot het storten van de vaste premie. De pensioenuitkering staat niet vast en is afhankelijk van het beleggingsresultaat bij pensionering.

De voordelen van een PPI zijn:

•   kostenbesparend tov een 'gewoon' pensioenfonds vanwege eenvoudiger financieel regime en toezichtsregime (Financieel Toetsingskader is nvt);
•   inspraak en bestuur volledig in de hand van werkgever en desgewenst deelnemers;
•   selectie van vermogensbeheerder, administrateur en risicoverzekeraar naar eigen voorkeur;
•   eenvoudige premiestelling zonder ingewikkelde actuariële technieken;
•   geen IFRS-gevolgen, geen negatieve gevolgen waardeoverdracht;
•   eigen identiteit;
•   governancewaarborg door toepassing Pension Fund Governance;
•   geen risico voor de werkgever op inhaalpremies en premiecorrecties;
•   voor multinationals is het aantrekkelijk om gebruik te maken van één pensioenuitvoerder;
•   aantrekkelijkheid voor startende ondernemingen en ondernemingen met een jong en sterk wisselend werknemersbestand;
•   door ringfencing blijft scheiding van pensioenvermogens van verschillende deelnemers mogelijk.

Van Doorne is u graag behulpzaam bij het meedenken en implementeren van oplossingen op dit gebied. Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Albert van Marwijk Kooy en mr. Nienke van Dijk, Praktijkgebied Pensioen.

Naar boven
-
      Ofschoon aan de inhoud de uiterste zorg is besteed, strekt de nieuwsbrief uitsluitend ter voorlichting en wordt niet beoogd juridisch advies te verlenen over concrete onderwerpen. Van Doorne N.V. kan geen aansprakelijkheid aanvaarden voor eventuele (gevolgen van) onjuistheden of omissies.
U mag deze nieuwsbrief ongewijzigd doorzenden.
 
- Privacy © 2011
Van Doorne N.V.
-
-
- Van Doorne N.V.
Jachthavenweg 121
1081 KM Amsterdam
Postbus 75265
1070 AG Amsterdam
-
-

t: +31 (0)20 6789 123
f: +31 (0)20 7954 589
e: nieuwsbrief@vandoorne.com
w: www.vandoorne.com
Van Doorne N.V.