| |
|
|
| Arbeidsrecht |
| |
| Wijziging vakantiewetgeving |
| |
| Werknemers die langdurig ziek zijn krijgen het recht op hetzelfde aantal vakantiedagen als niet zieke werknemers. Dit is één van de onderdelen van een op 27 augustus 2010 bij de Tweede Kamer ingediend wetsvoorstel. Daarnaast staat een aantal andere wijzigingen op stapel. |
| |
Nu bepaalt de wet dat de opbouw van vakantiedagen bij langdurig zieke werknemers is beperkt tot het laatste half jaar. Uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, waarin is geoordeeld dat het in strijd is met de Arbeidstijdenrichtlijn dat een werknemer zijn recht op vakantie verliest indien hij hiervan door ziekte geen gebruik heeft kunnen maken, nopen tot aanpassing van de Nederlandse wet. Dit wetsvoorstel voorziet daarin. De bepaling die opbouw van vakantie bij langdurige ziekte beperkt vervalt.
Verder regelt het wetsvoorstel dat, onder voorwaarde dat de werknemer daarmee instemt, ziektedagen kunnen worden verrekend met de wettelijke (minimum) vakantiedagen. Onveranderd blijft de mogelijkheid om bij schriftelijke overeenkomst overeen te komen dat ziektedagen worden aangemerkt als vakantiedagen voor zover het bovenwettelijke dagen betreft die voor dat jaar zijn overeengekomen.
Om te bevorderen dat werknemers daadwerkelijk hun vakantiedagen opnemen wordt een verval-termijn voorgesteld voor de wettelijke vakantiedagen, die inhoudt dat een werknemer zijn wettelijke vakantiedagen binnen anderhalf jaar moet opnemen. Dit is alleen anders als de werknemer niet daadwerkelijk de mogelijkheid heeft gehad om die vakantiedagen op te nemen. In dat laatste geval geldt een verjaringstermijn van vijf jaar. Deze verjaringstermijn geldt ook voor de bovenwettelijke vakantiedagen.
Of dit wetsvoorstel onveranderd de eindstreep haalt, zal het wetgevingsproces in de Tweede Kamer, waar het voorstel nog maar net is ingediend, moeten uitwijzen.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Cara Pronk, Praktijkgebied Arbeidsrecht.

|
| Europees- en Mededingingsrecht |
| |
| Communicatie advocaat in loondienst niet vertrouwelijk |
| |
| Interne communicatie tussen de advocaat in loondienst en zijn werkgever wordt niet beschermd door het 'legal privilege'. Zij kan daarom niet geheim worden gehouden voor de Europese mededingingsautoriteiten. Zo oordeelde het Europese Hof op 14 september 2010 in de uitspraak in de zaak van Akzo Nobel tegen de Europese Commissie. |
| |
De Europese Commissie eiste inzage in correspondentie tussen AKZO Nobel (en een dochtermaatschappij) en de interne advocaat. Het Europese Hof erkent dat de briefwisseling tussen een advocaat en diens cliënt (ook) in Europese zaken beschermd moet worden. Maar deze bescherming is niet onvoorwaardelijk. Het Hof meent dat ze alleen van toepassing is, als voldaan is aan twee voorwaarden.
Ten eerste dient de briefwisseling met de advocaat plaats te vinden in het kader van het 'recht van verdediging van de cliënt'. Ten tweede moet de briefwisseling afkomstig zijn van 'onafhankelijke advocaten'. Vanwege hun economische afhankelijkheid en de nauwe banden met de werkgever zijn advocaten in loondienst volgens het Hof niet onafhankelijk. Voor adviezen en andere correspondentie van de interne advocaat en het bedrijf geldt dus geen verschoningsrecht.
De onderhavige zaak had betrekking op een Europese mededingingsrechtelijke kwestie, maar de redenering zou ook in andere omstandigheden op kunnen gaan. Deze uitspraak zal daarom vergaande gevolgen kunnen hebben voor de interne advocaat. In Nederland heeft de wetgever de interne advocaat gelijk willen stellen met de externe advocaat. Belangenpartijen, zoals de Orde van Advocaten, zullen zich beraden over de vraag of de uitspraak in de Akzo zaak hier verandering in moet brengen. Deze uitspraak leidt er in ieder geval toe dat de interne advocaat, wanneer hij een advies van een externe advocaat heeft ingewonnen, dit advies, bij interne verspreiding daarvan duidelijk en expliciet aan de externe advocaat moet toeschrijven.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Sarah Beeston, Praktijkgebied Europees- en Mededingingsrecht.

|
| Europees- en Mededingingsrecht |
| |
| Openstelling kabelnetwerken voorlopig van de baan |
| |
| Op 18 augustus 2010 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) een uitspraak gedaan waarmee de verplichte openstelling van kabelnetwerken voorlopig van de baan is. Het CBb oordeelde dat de marktanalyse van de OPTA die ten grondslag lag aan de verplichte openstelling van de kabelnetwerken, ondeugdelijk was. |
| |
Telecom toezichthouder OPTA had eerder de kabelmaatschappijen die in Nederland analoge televisie via de kabel aanbieden (zoals UPC en Ziggo), verplicht hun kabelnetten open te stellen voor andere partijen. Op grond van een marktanalyse had de OPTA geconcludeerd dat er in deze markt onvoldoende concurrentie zou zijn omdat - kort gezegd - iedere kabelmaatschappij monopolist is in het eigen verzorgingsgebied. Door andere partijen toe te laten tot de netwerken van de (regionale) monopolisten, zou marktwerking gecureerd kunnen worden, waar consumenten van zouden kunnen profiteren in de vorm van meer keuze en lagere prijzen, aldus de OPTA.
Concurrerende aanbieders konden overigens niet het complete pakket van, bijvoorbeeld, UPC of Ziggo doorverkopen. Ze dienden zelf met de programma-aanbieders afspraken te maken over de uitzendrechten, en konden deze programma's dan over het netwerk van UPC of Ziggo aanbieden.
De regulering van de kabelmarkt door de OPTA had al geleid tot een nieuwe toetreder; Tele2 bood haar klanten televisie via de kabel aan, en ook andere aanbieders bereidden een markttoegang voor.
Deze ontluikende marktwerking is nu door het CBb in de kiem gesmoord. De OPTA heeft aangegeven een nieuwe marktanalyse te zullen uitvoeren. Dit duurt zeker een jaar. Dan zal blijken of de OPTA nog voldoende gronden ziet de kabelmarkt (alsnog) op te breken.
Tele2 biedt inmiddels geen kabeltelevisie meer aan.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Sarah Beeston, Praktijkgebied Europees- en Mededingingsrecht.

|
| Gezondheidszorg |
| |
| Zorg vindt Ondernemingskamer |
| |
| De Ondernemingskamer van het Amsterdamse Gerechtshof (OK) deed de afgelopen maanden uitspraak in maar liefst vier medezeggenschapskwesties in de zorg. In geen van de gevallen kwam de zorginstelling goed weg. In drie van de vier zaken moest het bestuur, respectievelijk de raad van toezicht genomen besluiten terug draaien en in twee zaken benoemde de OK bovendien nieuwe toezichthouders. De uitspraken maken duidelijk dat juist wanneer de druk hoog is, het juiste overleg met ondernemings- en cliëntenraad veel ellende kan voorkomen. |
| |
De wet geeft zowel de ondernemingsraad als de cliëntenraad beroepsmogelijkheden bij de OK. De ondernemingsraad kan beroep instellen als een zorginstelling nalaat haar in de gelegenheid te stellen te adviseren waar de Wet op de Ondernemingsraden dat voorschrijft, of ongemotiveerd afwijkt van een gegeven advies. Op grond van de Wet Toelating Zorginstellingen moet een zorginstelling het enquêterecht toekennen aan een cliëntvertegenwoordigend orgaan, in de praktijk doorgaans de (centrale) cliëntenraad. Cliëntenraden kunnen hun enquêterecht gebruiken indien er redenen zijn te twijfelen aan een juist beleid. Met het inwerkingtreden van het momenteel aanhangige Wetsvoorstel Cliëntenrechten Zorg worden de medezeggenschapsbevoegdheden van de cliëntenraad in de toekomst bovendien nog uitgebreider.
De OK bevestigt in de recente uitspraken dat het aan de ondernemer is om (strategische) keuzes te maken en besluiten te nemen. Daar waar de wet dat voorschrijft, moeten de besluiten wel vooraf gegaan worden door een tijdig verzoek om advies of instemming, vergezeld van deugdelijke informatie. De zorginstelling moet in dat kader inzichtelijk maken waarom de zorginstelling een bepaald besluit gaat nemen. (Serieuze) vragen van de ondernemings- of cliëntenraad daaromtrent moeten serieus beantwoord worden. Onder omstandigheden kan daar ook onder vallen het onderzoeken van een door de ondernemings- of cliëntenraad aangedragen alternatief.
Samenvattend is het voor bestuurders van zorginstellingen van belang zich bewust te zijn van de rechten van de ondernemings- en cliëntenraad. Niet naleving van de wettelijke verplichtingen met betrekking tot deze organen kunnen verstrekkende gevolgen hebben.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Paula Boshouwers, Praktijkgebied Gezondheidszorg.

|
| Intellectuele Eigendom |
| |
| Cashbackconstructie in strijd met Wet op de vaste boekenprijzen |
| |
| In een procedure tussen SplinQ en het Commissariaat voor de Media heeft de rechtbank Amsterdam beslist dat boekverkopers geen gebruik mogen maken van zogenaamde cashbackconstructies. Dit is in strijd met de Wet op de vaste boekenprijzen. |
| |
De wet op de vaste boekenprijzen schrijft voor dat de uitgever voor boeken, die hij voor het eerst in een bepaalde uitvoering in Nederland uitgeeft, een vaste boekenprijs dient vast te stellen. De boekverkoper dient die vaste prijs toe te passen bij verkoop aan een eindafnemer.
SplinQ exploiteert op de Nederlandse consument gerichte websites waar boekverkopers op kunnen adverteren. Consumenten kunnen op die websites op een link klikken naar de webwinkel van de boekverkoper waar zij boeken kunnen aanschaffen. De koopovereenkomst komt vervolgens tot stand tussen de consument en de boekverkoper. De boekverkoper betaalt voor iedere - na het doorklikken via SplinQ - gerealiseerde verkoop commissie. De advertentie-inkomsten, die SplinQ genereert, worden vervolgens gedeeltelijk onder de consumenten herverdeeld. Via de website van SplinQ is voor de consument vooraf zichbaar welk deel van het aankoopbedrag door SplinQ zal worden teruggestort.
SplinQ betoogt dat de boekverkoper de vaste boekenprijs rekent en de boekverkoper geen korting geeft. Het is SplinQ die, zonder dat dit door de boekverkopers kan worden afgedwongen, haar advertentie-inkomsten herverdeelt onder de consumenten. Daarom is deze constructie volgens SplinQ niet in strijd met de Wet op de vaste boekenprijzen. De rechtbank oordeelt echter anders. Uitgangspunt van de wetgever is namelijk dat bij de verkoop aan de consument door de boekverkoper de vaste boekenprijs wordt gehanteerd en de consument die prijs daadwerkelijk betaalt. De consument krijgt volgens de rechtbank via de cashbackconstructie feitelijk een korting op de aanschaf van zijn boek en die korting valt niet onder het gesloten stelsel van kortingen uit de Wet op de vaste boekenprijzen. Zou dit anders zijn dan zou de Wet op de vaste boekenprijzen eenvoudig kunnen worden ontdoken.
De rechtbank overweegt verder dat er geen sprake is van strijd met Europees recht op het gebied van het vrij verkeer van goederen en diensten. De Wet op de vaste boekenprijzen is namelijk van toepassing op iedereen die binnen Nederland Nederlandstalige of Friestalige boeken verkoopt. Daarbij komt dat SplinQ een Nederlandse vennootschap is en de adverteerders op haar website Nederlandse boekverkopers zijn, die zich richten op de verkoop van het Nederlandstalige boek in Nederland. Tot slot ontbreekt een gemeenschappelijke regeling op dit punt.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Ricardo Dijkstra, Praktijkgebied Intellectuele Eigendom.

|
| Intellectuele Eigendom |
| |
| Prejudiciële vragen inzake grensoverschrijdende vorderingen |
| |
| Op het gebied van het octrooiprocesrecht was Nederland lange tijd beroemd vanwege haar grensoverschrijdende verboden en geboden. De rechtbank en het hof in Den Haag waren bereid de inbreukvraag op bijvoorbeeld een ingeroepen Europees octrooi voor alle in Europa aangewezen landen te beantwoorden. Partijen hoefden op die manier niet in elk land een aparte octrooiprocedure te starten, maar konden in Nederland een uitspraak krijgen voor heel Europa. |
| |
Internationaal werd Den Haag verweten ten onrechte over de landsgrenzen te regeren. Ook het Hof van Justitie van de EG was deze mening toegedaan getuige de zaken GAT/LuK en Roche/Primus, waarin het Hof van Justitie feitelijk een einde leek te hebben gemaakt aan de grensoverschrijdende bevoegdheid in octrooizaken.
Van een definitief einde was geen sprake, omdat de rechtbank in Den Haag daarna overwoog bevoegd te zijn te beslissen over gevorderde grensoverschrijdende provisionele inbreukverboden, ook indien de geldigheid van het ingeroepen octrooirecht is bestreden (Fort Vale/Pelican). Reden hiervoor zou zijn dat geen definitieve beslissing wordt gegeven over de geldigheid van het octrooi, maar slechts een voorlopige inschatting wordt gegeven. Daarbij werd overwogen dat het Hof van Justitie in GAT/LuK weliswaar heeft beslist dat de nationale rechter niet bevoegd is grensoverschrijdend te oordelen, indien de geldigheid van het ingeroepen octrooi wordt betwist, maar zich niet uitdrukkelijk zou hebben uitgelaten over provisionele vorderingen.
Bij vonnis van 15 september jl. heeft de rechtbank in Den Haag over de juistheid van haar beslissing inzake Fort Vale/Pelican twijfels geuit en aangegeven voornemens te zijn op dit punt prejudiciële vragen te stellen (Solvay/Honeywell).
Ook met betrekking tot het Roche/Primus arrest van het Hof van Justitie ziet de rechtbank kennelijk ruimte voor het stellen van prejudiciële vragen. In het kort gaat het Roche/Primus arrest over de grensoverschrijdende bevoegdheid tot het opleggen van inbreukverboden met betrekking tot in verschillende staten gevestigde vennootschappen voor feiten begaan op het grondgebied van een of meer van die staten. Die gedaagden werden voor de Nederlandse rechter gedagvaard, omdat de vorderingen tegen die partijen een zo nauwe band zouden hebben dat een goede rechtsbedeling zou vragen om gelijktijdige behandeling en berechting. Dit om te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen zouden worden gegeven.
Hoewel in het arrest Roche/Primus geen uitspraak hoefde te worden gedaan over de vraag wanneer van "onverenigbare beslissingen" sprake is, overwoog het Hof van Justitie wel dat "beslissingen niet reeds tegenstrijdig worden geacht op grond dat er sprake is van divergentie in de beslechting van het geschil. Voor tegenstrijdigheid is bovendien vereist dat deze divergentie zich voordoet in het kader van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens." Het Hof van Justitie verklaart in die zaak voor recht dat grensoverschrijdende bevoegdheid ten opzichte van de buitenlandse gedaagden niet kan worden aangenomen op grond van artikel 6 lid 1 EEX-Vo.
Het hiervoor in het Roche/Primus arrest onderscheiden criterium van "eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens" wordt door de rechtbank - naar ik begrijp - niet toegepast, omdat dat arrest niet zou zien op "een situatie waarin twee of meer vennootschappen uit verschillende lidstaten in een procedure aanhangig voor een gerecht van een van die lidstaten, alle afzonderlijk worden beticht van het plegen van dezelfde inbreuk (bijvoorbeeld het aanbieden van hetzelfde product) op hetzelfde nationale deel van een Europees octrooi zoals dat van kracht is in weer een andere lidstaat". Daarin kan ik de rechtbank niet volgen. De rechtbank springt mijns inziens te makkelijk over de toepasselijkheid van het criterium in het Roche/Primus arrest heen om vervolgens het voornemen te uiten vragen te stellen over het begrip onverenigbare beslissingen uit artikel 6 lid 1 EEX-Vo. Ik ben van mening dat het criterium uit het Roche/Primus arrest had moeten worden toegepast wat zou moeten leiden tot de conclusie dat grensoverschrijdende bevoegdheid ten opzichte van de buitenlandse gedaagden niet zou kunnen worden aangenomen op grond van artikel 6 lid 1 EEX-Vo. Daargelaten of er sprake is van eenzelfde situatie feitelijk is er mijns inziens in ieder geval geen sprake van eenzelfde situatie rechtens (een inbreuk op een Europees octrooi wordt beoordeeld naar nationaal recht).
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Ricardo Dijkstra, Praktijkgebied Intellectuele Eigendom.

|
| Notariaat |
| |
| Nieuwe Europese Richtlijn administratieve en financiële lastenbesparingen bij juridische fusies en (af)splitsingen |
| |
| In augustus 2010 is een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer ingediend waarin op grond van een nieuwe Europese Richtlijn administratieve en financiële lastenbesparingen bij juridische fusies en (af)splitsingen worden beoogd. |
| |
De belangrijkste wijzigingen en vereenvoudigingen waarin het ingediende wetsvoorstel (nr. 32458) voorziet, zijn:
1. Het bestuur zal mogen afzien van de verplichting tot het opstellen van een schriftelijke toelichting op de redenen van de voorgenomen fusie. Alle leden of aandeelhouders van de fuserende rechtspersonen dienen hiermee in te stemmen.
2. Tevens kan worden afgezien van het opstellen van een tussentijdse vermogensopstelling, mits alle leden of aandeelhouders van de fuserende rechtspersonen hiermee instemmen. Dit zorgt voor een vermindering van de administratieve lasten. Een fusie die plaatsvindt in de tweede helft van het boekjaar werkt boekhoudkundig meestal terug tot het begin van het jaar. Het opstellen van een tussentijdse vermogensopstelling louter voor de fusie zorgt dan voor extra en vaak onnodige kosten.
3. Bij belangrijke wijzigingen na het deponeren van het voorstel van fusie in de activa en passiva die de mededelingen in het voorstel of de toelichting hebben beïnvloed, kan worden afgezien van de verplichting van het bestuur om de algemene vergadering en de andere te fuseren rechtspersoon in te lichten. Ook hiermee dienen alle leden en aandeelhouders van de betreffende fuserende rechtspersoon in te stemmen.
4. Een eventuele schuldeiser die in verzet komt tegen het voorstel tot fusie heeft na invoering van het wetsvoorstel zelf de bewijslast. Hij dient aannemelijk te maken dat de fusie leidt tot twijfel of voldoende waarborgen zijn verkregen of dat de vermogenstoestand van de verkrijgende rechtspersoon na de fusie minder waarborg zal bieden dat zijn vordering zal worden voldaan.
5. Momenteel kan alleen de verkrijgende rechtspersoon bij bestuursbesluit tot fusie besluiten. Het wetsvoorstel bevat de mogelijkheid dat bij een fusie met een rechtspersoon waarvan alle aandelen worden gehouden, deze verdwijnende rechtspersoon eveneens bij bestuursbesluit in plaats van bij aandeelhoudersbesluit tot de fusie kan besluiten.
Soortgelijke bepalingen worden in het wetsvoorstel ook beoogd voor juridische (af)splitsingen met dien verstande dat de versoepelingen vermeld onder 1 en 2 alleen gelden voor zuiverse splitsingen naar nieuw op te richten rechtspersonen of een afsplitsing naar een nieuw op te richten zustervennootschap.
De Europese Richtlijn moet uiterlijk op 30 juni 2011 zijn omgezet in de Nederlandse regelgeving.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Nienke van Dijk, Praktijkgroep Notariaat.

|
| Ondernemingsrecht |
| |
| Wanbeleid als opmaat voor aansprakelijkheid? |
| |
| Het is een misvatting te denken dat uit door de Ondernemingskamer vastgesteld "wanbeleid" automatisch aansprakelijkheid van de betrokken bestuurders en/of aandeelhouders volgt. De gang van zaken rondom de recente PCM-enquête heeft dit weer eens treffend geïllustreerd. |
| |
Hoewel de Ondernemingskamer in haar beschikking van 27 mei jl. in ferme bewoordingen heeft vastgesteld dat er sprake is geweest van wanbeleid bij PCM in het kader van de komst en het vertrek van Apax als aandeelhouder, hebben inmiddels bijna alle betrokkenen in de media laten weten de (oud)bestuurders en (oud)aandeelhouders van PCM niet aansprakelijk te zullen stellen voor de geleden schade. Dit is met name het gevolg van het feit dat het enquêterecht (en dus de Ondernemingskamer) zich niet bezig houdt met de vraag wie er aansprakelijk is voor het gevoerde wanbeleid.
Om een (oud)bestuurder en/of (oud)aandeelhouder veroordeeld te krijgen tot het vergoeden van de geleden schade, dient dan ook een afzonderlijke civiele procedure te worden gevoerd. In een dergelijke vervolgprocedure kan de kwalificatie "wanbeleid" door een rechter als een belangrijke indicatie voor aansprakelijkheid worden gezien. Desondanks geldt er nog steeds een hoge bewijsdrempel, waardoor de uitkomst vaak zeer onzeker is. Dit, tezamen met de relatief hoge kosten en lange doorlooptijd van een aansprakelijkheidsprocedure, doet menig betrokkene besluiten genoegen te nemen met de kwalificatie "wanbeleid" en de in dat kader door de Ondernemingskamer getroffen voorzieningen (bijvoorbeeld de vernietiging van een bestuurs- of aandeelhoudersbesluit of het ontslag van één of meer bestuurders en/of commissarissen).
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Sander Maarschalkerweerd, Praktijkgebied Ondernemingsrecht.

|
| Onderwijs |
| |
| In werking treden Wet Goed onderwijs |
| |
| Op 1 augustus 2010 is de Wet Goed onderwijs, goed bestuur in werking getreden. Deze wet wijzigt de Wet op het primair onderwijs (WPO), de Wet op de expertisecentra (WEC), de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO), de Wet medezeggenschap op scholen en de Leerplichtwet 1969. Scholen dienen de wijzigingen tijdig in hun organisatie, statuten en reglementen door te voeren. |
| |
Vereisten aan goed bestuur
Ieder bevoegd gezag van een school moet ingevolge de wet zorgen voor een functiescheiding tussen bestuur en het interne toezicht op het bestuur. Dat kan door de instelling van een raad van toezicht naast het bestuur. Mogelijk is echter ook een functiescheiding binnen het bestuur (one-tier) of tussen het bestuur en de directie. De benoeming van de toezichthouders dient te geschieden op basis van vooraf openbaar gemaakte profielen. De medezeggenschapsraad wordt in de gelegenheid gesteld om een bindende voordracht te doen voor één toezichthouder. Bij openbaar onderwijs geldt dit opmerkelijk genoeg naast het vereiste dat ten minste één/derde gedeelte (doch geen meerderheid) wordt benoemd op bindende voordracht van de ouders van de leerlingen. Aan de intern toezichthouder zijn wettelijk bevoegdheden toegekend zoals het goedkeuren van de begroting en het recht om de accountant aan te wijzen.
Daarnaast is iedere onderwijsinstelling verplicht om in het bestuursverslag te vermelden welke code voor goed bestuur wordt gehanteerd en ten minste verantwoording af te leggen over eventuele afwijkingen van die code.
Kwaliteitseisen
De wet en het bijbehorende uitvoeringsbesluit geven bekostigingsvoorschriften voor minimumeisen waaraan de kwaliteit van scholen in het primair en voortgezet onderwijs moet voldoen. Voor het basisonderwijs betreft dit vereisten voor de leerresultaten op het gebied van de Nederlandse taal alsmede wiskunde en rekenen. Voor het voortgezet onderwijs zijn de leeresultaten gekoppeld aan de gemiddelde eindexamenresultaten en het doorstroomrendement. Bij het oordeel van de inspectie dat sprake is van een zeer zwakke school is het bevoegd gezag van de school nu ook verplicht om de ouders hierover te informeren. Bij gebreke daarvan zendt de inspectie zelf de samenvatting van haar rapport aan de ouders van de leerlingen.
De wet zorgt verder voor extra interventiemogelijkheden voor de overheid. Die moeten ervoor zorgen dat slagvaardiger en doelgerichter kan worden ingegrepen als er sprake is van zwak bestuur of slecht onderwijs. De Minister van OCW kan ingeval van bestuurlijk wanbeheer aanwijzingen geven. Een aanwijziging bevat de motivatie van het wanbeheer en de te nemen maatregelen. In het uiterste geval kan een openbare school worden opgeheven en kan bij een bijzondere school de overheidsbekostiging worden beëindigd.
Termijn implementatie
Scholen en kenniscentra hebben tot 1 augustus 2011 de tijd om alle veranderingen in de statuten en hun organisatie te hebben doorgevoerd. Van Doorne is u graag behulpzaam bij het implementeren van de veranderingen. Een meer uitgebreid commentaar op de nieuwe wet kunt u vinden door hier te klikken. Wij kunnen bijvoorbeeld voor u in kaart brengen op welke punten aanpassingen nodig zijn in de statuten, reglementen, het managementstatuut en/of het medezeggenschapsstatuut of -reglement.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Nienke van Dijk of mr. Martijn Nolen, Team Onderwijs.

|
| Overheid en Vastgoed |
| |
| Wabo ingevoerd per 1 oktober 2010 |
| |
| Op 1 oktober 2010 was het zover: de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, kort gezegd 'de Wabo' is in werking getreden. Wat is er veranderd en wat betekent dit voor de praktijk? |
| |
In het tot 1 oktober 2010 geldende systeem waren voor een (bouw)project soms meerdere vergunningen nodig, welke bij verschillende loketten verkregen konden worden. Onder de Wabo is dit niet meer het geval. Alle vereiste vergunningen voor een bouwproject zijn nu ondergebracht in één vergunning, te weten: de omgevingsvergunning. De omgevingsvergunning is één geïntegreerde vergunning voor bouwen, wonen, monumenten, ruimte, natuur en milieu.
De bedoeling is dat de omgevingsvergunning zal leiden tot minder administratieve lasten voor bedrijven en burgers. Voorts is beoogd dat de omgevingvergunning zal leiden tot betere dienstverlening en kortere procedures.
Verschillende vergunningprocedures zijn in één procedure gegoten. De wetgever heeft niet beoogd inhoudelijke wijzigingen aan te brengen in de verschillende procedures. Een opvallende (procedurele) wijziging is wel dat het projectbesluit (kort gezegd: vrijstelling van een bestemmingsplan) is komen te vervallen. Opheffing van planologische strijdigheid wordt nu meegenomen in de omgevingsvergunning. Er is ten aanzien van projectbesluiten geen overgangsrecht opgenomen in de Wabo. Een projectbesluit verleend voor 1 oktober 2010 kan derhalve niet de planologische strijdigheid opheffen van een bouwproject waarvoor de aanvraag is of wordt gedaan na 1 oktober 2010. Dit kan vertragend werken.
Af te vragen valt of de doelstellingen met betrekking tot efficiency en eenvoud gaandeweg de (ingewikkelde) wetgevingsoperatie niet zijn gesneuveld; juridische waarborgen dienden wel in stand te blijven. De praktijk zal dit moeten uitwijzen.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Cees Kniestedt en mr. Wera Flapper, Praktijkgebied Overheid en Vastgoed.

|
| Overheid en Vastgoed |
| |
| Wel of geen met btw belaste levering van een onroerende zaak |
| |
| Op 19 november 2009 heeft het Hof van Justitie te Luxemburg (HvJ) in de zogenaamde Don Bosco zaak een nieuw element toegevoegd aan de problematiek van de levering van grond in de omzetbelastingsfeer. |
| |
Het HvJ is in deze zaak van oordeel dat de levering van een terrein, waarop nog een oud gebouw staat en waarvan de sloop reeds door verkoper was aangevangen om daar een nieuw gebouw neer te zetten, een levering is van ‘onbebouwde grond’. Dergelijke handelingen van levering en sloop moeten volgens het HvJ voor de omzetbelasting als één handeling worden gezien die de levering van een onbebouwd terrein tot voorwerp heeft.
Het HvJ komt tot de conclusie dat in dit geval beslissend is de toestand van de onroerende zaak ná het gereedkomen van de sloopwerkzaamheden. Tot nu toe werd in Nederland bij levering van onroerende zaken uitsluitend gekeken naar de toestand waarin de onroerende zaak zich bevindt ten tijde van de levering. Het belang van de kwalificatie “onbebouwde grond” of “bouwterrein” is dat een levering van een bouwterrein belast is met omzetbelasting en de koper daardoor de onroerende zaak vrij van overdrachtsbelasting kan verkrijgen.
Interessant is dat de Advocaat-Generaal in haar conclusie van 17 juni j.l. opmerkt dat het de bedoeling is dat de lidstaten alle voor bebouwing bestemde terreinen onder het begrip bouwterrein vatten. Wij wachten met spanning af hoe de Hoge Raad in deze zaak zal beslissen.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Martijn Kouffeld, Praktijkgebied Overheid & Vastgoed en Fiscaal.

|
| Proces- en Verzekeringsrecht |
| |
| Wetsvoorstel normering buitengerechtelijke incassokosten |
| |
| Wanneer een schuldenaar een vordering niet heeft voldaan, zal de schuldeiser proberen deze vordering te incasseren. De incassokosten die hij daarbij maakt, kunnen in veel gevallen worden verhaald op de schuldenaar. Minister Hirsch Ballin van Justitie heeft onlangs een wetsvoorstel ingediend dat er onder meer toe strekt deze kosten bij vorderingen onder de € 25.000 te normeren. |
| |
De wet bepaalt dat buitengerechtelijke kosten redelijk moeten zijn. Die open norm leidt tot onzekerheid in de praktijk. Weliswaar hebben rechters daarvoor normen ontwikkeld (rapport Voor-werk II), maar zeker bij vorderingen met betrekking tot relatief kleine bedragen, zal de schuldenaar het vaak niet op een rechtszaak laten aankomen. De schuldenaar zal dan maar de vordering inclusief de in rekening gebrachte buitengerechtelijke incassokosten voldoen.
Om aan de onzekerheid op dit punt een einde te maken, wordt voorgesteld dat bij vorderingen onder de € 25.000 voortaan maximaal een bepaald percentage van de verschuldigde hoofdsom als kosten in rekening gebracht mag worden, waarbij het percentage lager wordt naarmate de vordering hoger wordt.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Robert Hendrikse, Praktijkgebied Proces- en Verzekeringsrecht.

|
|
|