| |
|
|
| Arbeidsrecht |
| |
| Uitspraak Hof van Justitie in Albron zaak |
| |
| Op 22 oktober heeft het Europees Hof van Justitie (HvJ) uitspraak gedaan in de zogenaamde Albron zaak. Tot deze uitspraak kwamen werknemers die in dienst zijn van een personeels BV en die van daaruit gedetacheerd waren naar een verkopende entiteit (de vervreemder) niet automatisch in dienst van de kopende entiteit (de verkrijger) bij een overgang van onderneming. Het HvJ heeft nu in de Albron zaak bepaald dat ook werknemers die in dienst zijn van een personeels BV onder bepaalde voorwaarden toch in dienst komen van de verkrijger bij een overgang van onderneming. |
| |
De feiten van de zaak zijn als volgt. Binnen het Heineken-concern is al het personeel in dienst van Heineken Nederlands Beheer B.V. (HNB). HNB fungeert als centrale werkgever en detacheert het personeel bij de afzonderlijke werkmaatschappijen van het Heineken-concern in Nederland. Een aantal werknemers was gedetacheerd bij Heineken Nederland B.V. en verzorgde daar de catering. In maart 2005 heeft Heineken Nederland B.V. haar cateringactiviteiten overgedragen aan cateringbedrijf Albron. Albron en Heineken Nederland B.V. stelden zich op het standpunt dat de regels inzake overgang van onderneming niet van toepassing waren op de werknemers, aangezien deze werknemers geen arbeidsovereenkomst hadden met Heineken Nederland B.V., maar met HNB. Volgens Heineken en Albron gingen de werknemers daarom niet automatisch (met behoud van dezelfde arbeidsvoorwaarden) over naar Albron, en kon Albron de werknemers “slechtere” arbeidsvoorwaarden aanbieden. Tegen deze gang van zaken maakten de werknemers bezwaar. Zij stelden dat zij als gevolg van overgang van onderneming automatisch in dienst waren getreden bij Albron en dat zij dus hun oude arbeidsvoorwaarden hadden behouden.
Het HvJ gaf de werknemers gelijk: het is niet noodzakelijk dat de werknemers een arbeidsovereenkomst hebben met de vervreemder (Heineken Nederland B.V.) om ook onder de regels van overgang van onderneming te vallen. Deze regels van overgang van onderneming zijn ook van toepassing op werknemers die permanent bij een andere onderneming binnen het concern van de vervreemder tewerk zijn gesteld.
Deze uitspraak kan de nodige gevolgen hebben voor concerns in Nederland, aangezien de uitspraken van het HvJ terugwerkende kracht hebben. Claims van werknemers op dit gebied worden dan ook verwacht. Of deze uitspraak bredere gevolgen voor de praktijk heeft, is de vraag. De uitspraak spitst zich immers toe op intra-concerndetachering waarbij geldt dat werknemer permanent worden gedetacheerd (en niet slechts voor een beperkte periode). De uitspraak lijkt vooralsnog niet te gelden voor detacheringen buiten concernverband.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Aedzer Oreel, Praktijkgebied Arbeidsrecht.

|
| Europees- en Mededingingsrecht |
| |
| NMa wijst raden van toezicht thuiszorgorganisaties op hun rol in 'competition compliance' |
| |
| Thuiszorgorganisaties moeten een complianceregeling opstellen om naleving van de mededingingsregels te waarborgen. Dat stelt de Nederlandse Mededingingsautotiteit (NMa).
Gesprekken tussen de Nederlandse Mededingingsautotiteit (NMa) en ACTIZ, de brancheorganisatie voor ondernemers in de zorgsector, hebben niet geleid tot een sectorbrede complianceregeling. Het is daarom aan individuele thuiszorgorganisaties om actie te ondernemen. De raden van toezicht spelen daarbij een belangrijke rol, aldus de NMa. |
| |
De NMa onderstreept dat samenwerkingsvormen tussen verschillende disciplines in de zorgketen (ketenzorg) in beginsel niet in strijd is met het mededingingsrecht. Een goede coördinatie van zorg is belangrijk om ketensamenwerking soepel te laten verlopen. De NMa constateert echter ook dat thuiszorgorganisaties in hun samenwerking soms verder gaan dan noodzakelijk is voor het bereiken van ketensamenwerking. In sommige gevallen worden daarbij verboden afspraken gemaakt. Prijsafspraken en afspraken over het verdelen van markten of cliënten zijn voorbeelden van afspraken die in strijd zijn met de Mededingingswet.
Een complianceregeling kan ondernemingen helpen om te voorkomen dat hun werknemers zich schuldig maken aan overtredingen van het mededingingsrecht. Raden van toezicht van thuiszorgorganisaties hebben volgens de NMa de verantwoordelijkheid om besturen te wijzen op het belang van een complianceregeling.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Sarah Beeston, Praktijkgebied Europees en Mededingingsrecht.

|
| Farma |
| |
Publicatie generiek geneesmiddel in G-Standaard leidt tot octrooi-inbreuk |
| |
Het gerechtshof in Den Haag heeft onlangs beslist dat de publicatie van een generiek geneesmiddel in de zogenaamde G-Standaard moet worden aangemerkt als "het aanbieden voor een of ander" als bedoeld in artikel 53 lid 1 sub b Rijksoctrooiwet. |
| |
In het zicht van de afloop van de beschermingsduur van een bepaald octrooi van Glaxo Group heeft Pharmachemie een marktvergunning aangevraagd voor het generieke geneesmiddel Ondansetron. Na verkrijging van die marktvergunning heeft Pharmachemie dit geneesmiddel laten opnemen in de G-Standaard; een databank met informatie over alle middelen (geneesmiddelen, medische hulpmiddelen, homeopathische middelen), die in de apotheek verkrijgbaar zijn of mogelijk verkrijgbaar zullen zijn. Publicatie daarvan heeft vervolgens plaatsgevonden vóór de afloop van het octrooi van Glaxo Group. Daarbij werd in een disclaimer vermeld dat het octrooi nog niet was verlopen en dat Ondansetron niet voor het verlopen van het octrooi zou worden verhandeld.
In eerste aanleg was de rechtbank in Den Haag van mening dat de enkele publicatie van het geneesmiddel in de G-Standaard geen inbreuk op het octrooi oplevert. De rechtbank zag de opname in de G-Standaard namelijk niet als "het aanbieden voor een of ander", maar als een voorbereidingshandeling voor het leveren van Ondansetron. Pharmachemie had volgens de rechtbank de G-Standaard ook niet gebruikt als middel om generiek Ondansetron aan te bieden, maar was daartoe genoodzaakt om verhandeling van het middel direct vanaf de expiratiedatum mogelijk te maken.
In hoger beroep heeft het gerechtshof in Den Haag echter geoordeeld dat er wel sprake is van het "aanbieden voor een of ander". Het gerechtshof acht het aannemelijk dat gebruikers van de G-Standaard zich bij het voorschrijven, c.q. bestellen van geneesmiddelen mede zullen laten leiden door de wetenschap dat er op korte termijn een generieke variant van een geneesmiddel met eenzelfde werkzame stof op de markt komt. Hierbij werd het van belang geacht dat algemeen bekend is dat generieke geneesmiddelen aanzienlijk goedkoper zijn dan spécialités. Gelet op het voorgaande is het gerechtshof van mening dat het marktgedrag door de publicatie wordt beïnvloedt. De omstandigheid dat van daadwerkelijke verhandeling pas sprake zal zijn na afloop van de duur van het octrooi - en dus de disclaimer - doet daar dus niet aan af. Op grond hiervan is het gerechtshof van oordeel dat Pharmachemie Ondansetron heeft aangeboden voor en of ander en daarmee inbreuk heeft gemaakt op het octrooi van Glaxo Group.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Ricardo Dijkstra, Praktijkgebied Farma,
Praktijkgebied Technologie en
Praktijkgebied Intellectuele Eigendom.

|
| Fiscaal recht |
| |
| Aanscherping kwalificatie onroerende zaaklichaam voor de overdrachtsbelasting |
| |
| De verkrijging van in Nederland gelegen onroerende zaken is in beginsel belast met 6% overdrachtsbelasting. Om te voorkomen dat via het tussenschuiven van een vennootschap de heffing van overdrachtsbelasting wordt ontgaan, is onder bepaalde voorwaarden ook de verkrijging van aandelen in een onroerende zaaklichaam (hierna: "OZL") belast met overdrachtsbelasting. Het kabinet is van mening dat de kwalificatie van OZL relatief eenvoudig kan worden ontweken door kunstmatige constructies. In het belastingplan 2011 is daarom voorgesteld om de kwalificatie van OZL aan te scherpen. |
| |
Naar huidig recht is sprake van een OZL indien de bezittingen van een lichaam voor 70% of meer bestaan uit in Nederland gelegen onroerende zaken welke commercieel worden geëxploiteerd. Indien aandelen in een OZL worden overgedragen is de verkrijger overdrachtsbelasting verschuldigd over de waarde van de onroerende zaken welke door die aandelen worden vertegenwoordigd. Het tarief voor de overdrachtsbelasting bedraagt 6%.
Het kabinet is van mening dat de samenstelling van de bezittingen van een lichaam door kunstmatige constructies eenvoudig kan worden gemanipuleerd. Hierdoor kan de heffing van overdrachtsbelasting ter zake de verkrijging van aandelen in een OZL worden ontlopen.
In het belastingplan 2011 is daarom (o.a.) voorgesteld om de kwalificatie van OZL aan te scherpen. Met ingang van 1 januari 2011 wordt een lichaam als OZL aangemerkt indien:
- De bezittingen van een lichaam voor 50% of meer bestaan uit onroerende zaken. Hierbij wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen in Nederland en in het buitenland gelegen onroerende zaken;
- Minimaal 30% van de bezittingen van het lichaam bestaan uit in Nederland gelegen onroerende zaken; en
- 70% of meer van de totale onroerende zaken wordt commercieel geëxploiteerd.
De voorgestelde aanpassingen betekenen een aanzienlijke grondslagverbreding voor de overdrachtsbelasting. Verkrijging van aandelen in een lichaam dat Nederlands beleggingsvastgoed bezit wordt hierdoor eerder belast.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Ewout van Asbeck of mr. Thijs Clement,
Praktijkgebied Fiscaal recht.

|
| Gezondheidszorg |
| |
| BTW-compensatiefonds voor de zorg |
| |
| In het regeerakkoord van het kabinet Rutte I is het plan opgenomen om een BTW-compensatiefonds voor de zorgsector in het leven te roepen. Dit fonds moet ervoor zorgen dat het voor ondernemers in de zorg financieel aantrekkelijker wordt om taken uit te besteden en om samen te werken. Eventuele BTW-heffing is dan geen belemmerende factor meer. |
| |
Ondernemers in de zorgsector kunnen over het algemeen de BTW die aan hen in rekening wordt gebracht niet in aftrek brengen. Indien zij werkzaamheden die zij gewoonlijk zelf verzorgen uitbesteden aan derden, zal over de vergoeding BTW verschuldigd zijn. Hierdoor wordt uitbesteding relatief duur terwijl uitbesteding als zodanig efficiënter en daardoor kostenbesparend kan zijn. Het BTW-compensatiefonds dient deze nadelige gevolgen weg te nemen.
Over de wijze waarop een BTW-compensatiefonds moet worden gefinancierd is op dit moment nog niets bekend. Het is nog afwachten of de sector er per saldo beter van zal worden. Het BTW-compensatiefonds voor gemeenten en provincies bijvoorbeeld wordt gevoed door een verlaging van de uitkering uit het Gemeentefonds en het Provinciefonds. Daar is het BTW-compensatiefonds feitelijk een sigaar uit eigen doos.
Totdat het BTW-compensatiefonds voor de zorg is ingevoerd blijft het zaak de BTW-gevolgen van het uitbesteden van werkzaamheden en het samenwerken met andere zorginstellingen zo optimaal mogelijk vorm te geven.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Martijn Kouffeld of mr. Wiebe de Vries, Praktijkgebied Gezondheidszorg.

|
| Intellectuele Eigendom |
| |
| Ontkomen aan octrooi-inbreuk door disclaimer in handelsvergunning geneesmiddel |
| |
| In een procedure tussen Schering Corporation tegen Teva Pharma en Pharmachemie heeft de rechtbank geoordeeld dat een disclaimer in de bijsluitertekst van een generiek geneesmiddel kan leiden tot het oordeel dat het op de markt brengen van een bepaald geneesmiddel niet onder de beschermingsomvang van het octrooi valt. |
| |
Het octrooi van Schering Corporation zag op claims voor de combinatietherapie ribavirine met (peg)-interferon alfa ter behandeling van naïeve patiënten (patiënten bedoeld die nog niet eerder therapie
met ribavirine of enig interferon voor hun hepatitis C infectie hebben ondergaan) besmet met hepatitis C van het genotype 1.
Teva Pharma brengt het generieke geneesmiddel ribavirine op de markt. Uit de samenvatting van productkenmerken en de bijsluiter bij dit geneesmiddel volgt dat het niet is geïndiceerd voor de combinatietherapie voor naïeve patiënten met hepatitis C van het genotype 1. Een dergelijke disclaimer, die ertoe leidt dat niet aan alle kenmerken van het octrooi wordt voldaan, is volgens de rechtbank in beginsel voldoende om te oordelen dat er geen sprake is van octrooi-inbreuk.
Dit zou anders kunnen zijn als zou kunnen worden bewezen dat het generieke geneesmiddel ribavirine wel degelijk zou worden voorgeschreven voor naïeve patiënten met hepatitis C van het genotype 1. In het onderhavige geval is evenwel onweersproken komen vast te staan dat een arts niet een keuze zal maken voor een niet goedgekeurde indicatie, omdat hij daarmee in beginsel in strijd zou handelen met de Geneesmiddelenwet. De Geneesmiddelenwet bepaalt namelijk dat het buiten de geregistreerde indicaties voorschrijven van geneesmiddelen alleen geoorloofd is wanneer daarover binnen de beroepsgroep protocollen of standaarden zijn ontwikkeld. Als die nog in ontwikkeling zijn, is overleg tussen de behandelend arts en apotheker noodzakelijk.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Ricardo Dijkstra, Praktijkgebied Farma,
Praktijkgebied Technologie en
Praktijkgebied Intellectuele Eigendom.

|
| Intellectuele Eigendom |
| |
| Alcoholreclame voortaan bij sportverenigingen in de ban? |
| |
| Sportclub Kampong heeft enkele Heineken reclameborden langs de sportvelden verwijderd nadat de Reclame Code Commissie besliste dat de borden in strijd zijn met de reclameregels. Hoewel de uitspraak alleen op Kampong betrekking heeft, is te verwachten dat meer sportclubs te maken krijgen met de beperkingen die voor alcoholreclames gelden. |
| |
De Reclame Code Commissie deed haar uitspraak op basis van de Reclamecode voor Alcoholhoudende Dranken. Deze Code, die door de alcoholbranche bij wijze van zelfregulering is opgesteld, verbiedt elke alcoholreclame bij evenementen of locaties waar meer dan een kwart van de aanwezigen minderjarig is. Bij twijfel is het aan de adverteerder om te bewijzen dat het aantal minderjarigen minder is dan 25%. Dat is Kampong en Heineken in de Kampong zaak kennelijk niet gelukt.
In de media wordt de betekenis van de Kampong uitspraak nogal gerelativeerd. Gezegd wordt dat de uitspraak gebaseerd is op zelfregulering en alleen betekenis heeft voor de relatie tussen de betrokken partijen, en dat de uitspraak in hoger beroep niet overeind blijft.
Het is de vraag of de relativering in de media niet vooral ‘wishful thinking’ is. De tekst van de desbetreffende bepaling in de Code is duidelijk en lijkt weinig ruimte voor een andere uitleg in hoger beroep. Bovendien, zelfregulering of niet, in beginsel kan iedereen de alcoholbranche aanspreken op de afspraken die de leden hebben gemaakt en die in de Code vastliggen. Het lijkt een kwestie van tijd voordat andere klagers bij dezelfde of andere sportclubs volgen. Sponsoren zouden nu al kunnen bedenken hoe met klachten om te gaan. Ook sportclubs met een aanzienlijke jeugdafdeling zijn hopelijk door de Kampong uitspraak wakker geschud, want velen hebben een sponsorrelatie met een bierbrouwer. Vragen die de clubs zich zouden moeten stellen is of hun sponsoring bestand is tegen onvoorziene omstandigheden als deze. Als dat niet zo is, dan is het misschien tijd om de contracten op dit punt aan te passen.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Kriek Wille, Praktijkgebied Intellectuele Eigendom en Praktijkgebied Entertainment en Media.

|
| Notariaat |
| |
| Wijzigingen rondom de Algemene Vergadering van Aandeelhouders (AvA) |
| |
| Op 1 juli jl. zijn een tweetal wetten in werking getreden die belangrijk zijn voor de gang van zaken rondom de AvA. Het gaat om de Wet spreekrecht ondernemingsraad en de Wet ter implementatie van de Europese richtlijn aandeelhoudersrechten (de Wet aandeelhoudersrechten). De wijzigingen hebben bovenal betrekking op beursgenoteerde N.V.'s Hieronder zullen kort enkele (voor de praktijk) belangrijke wijzigingen worden besproken. |
| |
Oproeping voor de AvA
De oproepingstermijn voor beursvennootschappen is verlengd tot ten minste 42 dagen voor de AvA. Deze oproepingstermijn geldt naast de jaarvergadering ook voor bijzondere algemene vergaderingen. De oproeping voor beursvennootschappen moet plaatsvinden door middel van een elektronisch openbaar gemaakte aankondiging. Als in de statuten echter is opgenomen dat de oproeping zal plaatsvinden middels een landelijk dagblad, is een oproeping enkel openbaar gemaakt via elektronische weg niet toegestaan.
Verplichte registratiedatum voor de AvA
Het gebruik van een registratiedatum (28e dag voor de AvA) wordt verplicht voor beursgenoteerde N.V.'s en optioneel voor niet beursgenoteerde N.V.'s. Hetgeen zal betekenen dat het recht van aandeelhouders om: i) aan een AvA deel te nemen en ii) daar zijn/haar stem uit te brengen, moet worden vastgesteld aan de hand van de aandelen die zij op een bepaalde datum "voorafgaand" aan de AvA houden (de registratiedatum).
Spreekrecht ondernemingsraad (OR) tijdens de AvA
De OR van iedere N.V. - ongeacht beursgenoteerd of niet-beursgenoteerd - heeft het recht om zijn standpunt te bepalen en toe te lichten op de AvA. De OR kan dit doen ten aanzien van de volgende voorgenomen besluiten:
- vaststelling van het bezoldigingsbeleid;
- goedkeuring van belangrijke bestuursbesluiten (art. 2:107a BW); en
- benoeming, schorsing en ontslag van bestuurders en commissarissen.
Agenderingsrecht
Een laatst te noemen wijziging betreft het recht van de aandeelhouder om onderwerpen op de agenda van de AvA te plaatsen, welke wijziging eveneens voor elke N.V. geldt. Overeenkomstig de richtlijn is door de Wet aandeelhoudersrechten de weigeringsgrond (om een onderwerp niet op de agenda te plaatsen) afgeschaft en een motiveringseis (om een onderwerp op de agenda te plaatsen) toegevoegd.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Robbert Ros, Praktijkgroep Notariaat.

|
| Onderwijs |
| |
| De waarde van kennisvalorisatie voor uw organisatie |
| |
| Hoe wordt in uw organisatie omgegaan met kennis? In hoeverre wordt deze kennis bewust gedeeld binnen uw organisatie of ingezet ten behoeve van de maatschappij? En zo ja hoe vindt deze vermarkting plaats? |
| |
Het ter beschikking stellen aan anderen van (publiek bekostigde) kennis voor nieuwe projecten, producten en diensten wordt valorisatie genoemd. Valorisatie kan leiden tot kennisdeling, kennisbenutting, competentiebuilding en het gezamenlijke gebruik van faciliteiten.
Valorisatie zorgt binnen de eigen organisatie dat de bestaande kennis beter wordt gebruikt of wordt verbeterd. Dit draagt bij aan verdere ontwikkeling van de organisatie. Daarnaast heeft het tot gevolg dat de organisatie aantrekkelijker wordt voor investeerders, personeel en studenten.
Zo kan valorisatie binnen de eigen organisatie ervoor zorgen dat:
- de eigen werknemers de mogelijkheid wordt geboden te ondernemen, wat veelal leidt tot vergroting van de betrokkenheid van de werknemers. Betrokken werknemers blijven vaak langer verbonden aan een organisatie;
- bedrijven kunnen worden verbonden aan projecten die bij de valorisatie van kennis ontstaan;
- er met valorisatieprojecten stageplaatsen ontstaan voor eigen studenten;
- de bekendheid van het ondernemen binnen de eigen kennisinstelling wordt vergroot, niet alleen voor docenten maar ook voor studenten;
- er geen kennis verloren gaat bij bijvoorbeeld personele wisselingen.
Natuurlijk zal valorisatie van kennis en bestaande of nieuwe ideeën slechts mogelijk zijn als de mensen die deze kennis hebben daar ook tijd en energie in willen en kunnen investeren. Dit kan worden gestimuleerd door de persoon in meer of mindere mate invloed of verantwoordelijkheid te geven bij het proces. Bijvoorbeeld door de betreffende persoon bij de inrichting van de opleiding mee te laten denken, als vraagbaak te gebruiken of zelfs verantwoordelijk te maken voor de opleiding zelf. Indien het idee genoeg potentie heeft, kan ervoor worden gekozen om het onderdeel onder te brengen in een aparte rechtspersoon. In die rechtspersoon is het mogelijk om de bedenker invloed te geven en eventueel financiële rechten. Uiteraard kan een en ander alleen als er geen overheidsbekostiging wegvloeit.
De uitwisseling van praktijk met theoretische kennis stimuleert verdere ontwikkeling, waarbij de mogelijkheid kan ontstaan om de kennis of het idee in de markt te zetten. Voor sommige van deze initiatieven zijn subsidies en leningen aan te vragen. De voornaamste regeling is de regeling Onderwijs Netwerk Ondernemen. In totaal 175 basisscholen, middelbare scholen en ROC’s hebben dit jaar subsidie aangevraagd om ondernemerschap in het onderwijs te stimuleren. Voor 2010 is hiervoor ruim 7 miljoen euro beschikbaar gesteld door de Ministeries van Onderwijs en Economische Zaken, Landbouw & Innovatie. Voor 2011 wordt zeer waarschijnlijk ook budget vrijgemaakt, doch naar verwachting minder dan het bedrag voor 2010.
Van Doorne is u graag behulpzaam bij het meedenken en implementeren van oplossingen op dit gebied.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Nienke van Dijk of mr. Marinus de Waal, Praktijkgebied Onderwijs.

|
| Onderwijs |
| |
| Aanpassing nationale btw-vrijstelling voor verstrekken beroepsonderwijs |
| |
| Per 1 juli 2010 is de (nationale) btw-vrijstellling voor het verstrekken van beroepsonderwijs aangepast. Voor ondernemers die niet-wettelijk erkend beroepsonderwijs of kortlopende beroepsmatige cursussen verzorgen, kan dit gevolgen hebben. Het kan aantrekkelijk zijn om opleidingen en cursussen vanuit meerdere rechtspersonen aan te bieden. |
| |
Voor het wettelijk erkend beroepsonderwijs is er door de aanpassing van de vrijstelling niets veranderd. Voor ondernemers die niet wettelijk erkend beroepsonderwijs verzorgen, is er wel een verandering. Zij moeten zich, tenzij ze uit openbare kassen worden bekostigd en genoemd zijn in de bijlage van Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) of de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB), aanmelden bij het Register Kort Beroepsonderwijs (RKBO) indien ze voor de vrijstelling in aanmerking willen komen. Melden zij zich niet aan bij het RKBO, dan zijn deze ondernemers btw-plichtig en moeten hun cursussen en opleidingen worden belast met btw.
Voor inschrijving bij de RKBO wordt de ondernemer geëvalueerd door een externe audit. Hierdoor kan het voorkomen dat niet alle instellingen die dat wensen meteen vanaf 1 juli 2010 zijn ingeschreven bij de RKBO. Om te voorkomen dat deze instellingen gedurende een relatief korte periode omzetbelasting in rekening zouden moeten brengen, is er de mogelijkheid dat deze instellingen ter zake van het door hen te verstrekken beroepsonderwijs de vrijstelling blijven toepassen in de periode die is gelegen tussen 30 juni 2010 en de datum waarop de instelling in het RKBO is opgenomen. Hierbij geldt als voorwaarde dat de betrokken instelling zich vóór 1 oktober 2010 heeft aangemeld voor opname in het RKBO en uiterlijk op 31 december 2010 in dat register is opgenomen.
Door de aanpassing van de onderwijsvrijstelling is het vanaf 1 juli 2010 niet meer mogelijk om binnen één rechtspersoon zowel belaste als onbelaste cursussen of opleidingen aan te bieden. Voor verplichtingen voor cursussen/opleidingen die zijn aangegaan vóór 1 juli 2010, geldt tot 1 januari 2011 de oude regeling: per soort cursus/opleiding kan men beslissen voor wel of geen btw belasting. Doordat per rechtspersoon moet worden gekozen voor ofwel onbelaste ofwel belaste cursussen, kan het aantrekkelijk zijn om vanuit twee in plaats van één rechtspersoon de cursussen aan te bieden. Vanuit één rechtspersoon wordt gekozen voor registratie bij het RKBO, voor de andere rechtspersoon worden de opleidingen en cursussen belast met btw.
Mocht u willen laten nagaan of het ook voor u aantrekkelijk is om een splitsing aan te brengen in uw activiteiten en deze te spreiden over meerdere rechtspersonen, dan kunt u contact opnemen met mr. Wiebe de Vries (fiscaal jurist Praktijkgebied Onderwijs) of mr. Nienke van Dijk (senior Praktijkgebied Onderwijs en Notariaat).

|
| Overheid en Vastgoed |
| |
| Seminar Wabo groot succes! |
| |
| Op 30 september 2010 organiseerde de sectie Overheid en Vastgoed een seminar over de per 1 oktober 2010 in werking getreden Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het was een groot succes, met circa 100 gasten uit alle windstreken van het land en met diverse achtergronden en werkgebieden verbandhoudende met ruimtelijke ordening. |
| |
De middag werd ingeleid door mr. Cees Kniestedt, partner op de sectie Overheid en Vastgoed bij Van Doorne. Daarna kwamen prof. mr. Jan Struiksma (hoogleraar bestuursrecht) en drs. Joos de Bakker (Omniplan) aan het woord over de juridische en bestuurskundige verdiensten van de nieuwe wet.
Dat de Wabo nog flink wat vragen oproept werd duidelijk uit de vragen en discussies met de zaal. Duidelijk werd in ieder geval dat de Wabo weliswaar een vereenvoudiging in de vergunningaanvraag beoogt (één-loket-gedachte), maar het nog maar de vraag is of het afgeven (en eventueel bestrijden) van een omgevingsvergunning ook eenvoudiger is geworden. Specialistische kennis is nog onontbeerlijk in het huidige omgevingsrecht.
Het was al met al een geslaagde bijeenkomst en na afloop kreeg iedereen een door Van Doorne opgestelde factsheet mee om de grote lijnen van de Wabo nog eens na te lezen.
Wilt u meer informatie over dit seminar, de Wabo of een uitnodiging voor een volgende Overheid en Vastgoed seminar, neem dat contact op met mr. Cees Kniestedt, Praktijkgebied Overheid en Vastgoed.

|
| Overheid en Vastgoed |
| |
| Toch projectbesluit onder de Wabo? |
| |
| Nieuwe wetgeving heeft soms wat herstelwerk nodig, omdat na invoering de praktijk blijkt dat bepaalde omstandigheden niet zijn voorzien. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is een voorbeeld waarbij dat nodig is (gebleken). Met name op het vlak van het overgangsrecht. |
| |
Bij de inwerkingtreding van de Wabo (1 oktober 2010) waren er - zoals was voorzien - nog aanvragen om een vergunning onder het oude recht in procedure. Om te bepalen hoe dergelijke aanvragen moeten worden behandeld na 1 oktober, is in het overgangsrecht een regeling opgenomen. Daaruit volgt dat aanvragen om een vergunning, ontheffing of een projectbesluit die voor 1 oktober 2010 zijn ingediend, worden afgedaan overeenkomstig het oude recht. Vergunningen, ontheffingen en projectbesluiten die op 1 oktober reeds van kracht en onherroepelijk zijn of na die datum onherroepelijk worden, gelden vanaf dat moment als omgevingsvergunning.
In het kader van deze regeling deed zich ten aanzien van het projectbesluit voor een bouwactiviteit een moeilijkheid voor. Onder het oude recht werd kort gezegd een projectbesluit pas onherroepelijk als ook ten minste een eerste fase bouwvergunning is verleend en onherroepelijk is geworden. Echter, een eerste fase bouwvergunning bestaat niet meer onder de Wabo. Dit impliceert dat een vóór 1 oktober 2010 aangevraagd projectbesluit voor een bouwactiviteit tezamen met een separaat aangevraagde eerste fase bouwvergunning, na 1 oktober 2010 nooit onherroepelijk kan worden. Dit gezien de bouwvergunning niet als zodanig gegeven kan worden. En dat betekent weer dat zo'n projectbesluit nooit gelijk kan worden gesteld met een omgevingsvergunning (want niet onherroepelijk). Daardoor kan het projectbesluit ook niet na 1 oktober een planologische strijdigheid voor een bouwactiviteit, die na 1 oktober omgevingvergunningplichtig is, opheffen.
Dit lijkt misschien een studeerkamerprobleem, maar het heeft wel degelijk praktische consequenties. Met name vanwege de inspanningen die het voor alle betrokkenen vergt om strijdigheden met het planologisch regiem rechtsgeldig te beslechten om bouwactiviteiten mogelijk te maken. Alles na 1 oktober opnieuw in procedure brengen is niet altijd opportuun. Inmiddels heeft de wetgever de omissie in het overgangsrecht op dit punt ingezien en mede door de commotie daarover aan reparatiewetgeving gewerkt. Dat zal als onderdeel van een breder wetsvoorstel zo snel mogelijk worden ingediend. Volgens minister Tineke Huizinga betekende het gebrek aan overgangsrecht overigens niet dat daarmee projectbesluiten direct waardeloos waren geworden. Volgens haar zou het een formaliteit zijn om het projectbesluit om te zetten in een omgevingsvergunning.
Al met al blijft het opletten en wennen aan het nieuwe regime van de omgevingsvergunning.
Voor meer informatie over dit onderwerp of de Wabo kunt u contact opnemen met mr. Cees Kniestedt, Praktijkgebied Overheid & Vastgoed.

|
| Proces- en Verzekeringsrecht |
| |
| Eerste Kamer heeft het Wetsvoorstel stilzwijgende verlenging en opzegtermijn bij lidmaatschappen, abonnementen en overige overeenkomsten, aangenomen. |
| |
| Op 5 oktober 2010 heeft de Eerste Kamer het wetsvoorstel stilzwijgende verlenging en opzegtermijn bij lidmaatschappen, abonnementen en overige overeenkomsten (nr. 30520) aangenomen. De wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de dertiende kalendermaand na publicatie in het Staatsblad. Die publicatie heeft nog niet plaatsgevonden. Blijkens de memorie van antwoord wordt verwacht dat de publicatie zodanig wordt gekozen dat de wet op 1 januari 2012 in werking treedt. |
| |
Overeenkomsten
De doelen van het wetsvoorstel zijn om de stilzwijgende verlenging te verbieden van overeenkomsten tot het geregeld afleveren van zaken (elektriciteit daaronder begrepen, kranten en tijdschriften uitgezonderd) of tot het geregeld doen van verrichtingen (abonnementen op bijvoorbeeld sportschool of alarminstallatiedienst). De wet geldt niet voor financiële producten zoals verzekeringen.
Beoogd is een einde te maken aan stilzwijgende verlengingen van niet meer gewenste contracten en abonnementen. Dergelijke bepalingen zijn meestal opgenomen in de algemene voorwaarden. In plaats van stilzwijgende verlengingen komt de mogelijkheid om te bepalen dat de overeenkomst na een jaar stilzwijgend wordt omgezet in een overeenkomst voor onbepaalde tijd. Die overeenkomst is dan te allen tijde opzegbaar met een opzegtermijn van ten hoogste een maand. Gekozen is om de consument geen actie te hoeven laten ondernemen om zijn overeenkomst te houden. Het grote voordeel voor de consument is dat hij de overeenkomst vervolgens op elk gewenst moment kan opzeggen en niet weer een jaar er aan vast zit.
Ook de wijze van opzegging wordt versimpeld. Voor de opzegging kan geen andere manier worden vereist dan voor de aanmelding gold. Overeenkomsten die mondeling (telefonisch) tot stand zijn gekomen, mogen ook telefonisch worden opgezegd.
Verenigingen
Voor verenigingen gaat de verplichting gelden om ervoor zorg te dragen dat leden de voor opzegging van het lidmaatschap noodzakelijke informatie eenvoudig kunnen raadplegen. De informatie moet in ieder geval opvallend worden vermeld op de hoofdpagina van de website en op bladzijde 1, 2 of 3 van het ledenblad, indien een vereniging gebruik maakt van deze communicatiemiddelen.
Omdat leden van een vereniging via het lidmaatschap invloed (hebben) kunnen uitoefenen op de lidmaatschapsvoorwaarden, geldt voor lidmaatschappen van verenigingen een milder regime dan voor commerciële bedrijven. Er komt geen verbod op het automatisch verlengen van lidmaatschappen. Voor een lidmaatschap blijven de in de statuten en in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek vastgelegde waarborgen gelden. Bij deze keuze speelde ook een rol dat het voor het goed functioneren van verenigingen essentieel is dat tijdig een begroting voor het komende boekjaar moet kunnen worden opgesteld zonder te grote onzekerheid over het ledenaantal.
Voor diensten die een vereniging aanbiedt naast het lidmaatschap, gaan wel de voormelde beperkingen van het overeenkomstenrecht gelden. Als voorbeeld kan worden genoemd een abonnement op de pechhulpdienst van de ANWB. Dit betreft een afzonderlijke dienst naast het lidmaatschap.
Gevolgen
Het wetsvoorstel heeft tot gevolg dat algemene voorwaarden (tijdig) moeten worden herzien. Bedingen in algemene voorwaarden die deel uitmaken van overeenkomsten met consumenten zullen immers als onredelijk bezwarend worden aangemerkt indien die strijdig zijn met het voorgenomen wetsvoorstel. Verenigingen moeten ervoor zorgen dat hun website en verenigingsblad de informatie over opzegging van het lidmaatschap prominent weergeven.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Martine Höfelt (algemene voorwaarden) Praktijkgebied Proces- en Verzekeringsrecht of mr. Nienke van Dijk (verenigingen) Praktijkgebied Notariaat.

|
|
|